Staat & Economie

2 02 2009

Volgende mail behandelt volgende vragen: Hoe gebeurt de economische overgang van het kapitalisme naar het communisme? Welke rol speelt de staat daarin? Welke relatie bestaat er tussen de staat en de economie?

3 november 2008

Joep Ys.,

Er bestaat een werk van de Groepen van Internationale Communisten (GIC) getiteld “Grondbeginselen van communistische productie en distributie” dat precies beantwoord aan de kritiek van het liberale studentenblad (http://lvsvantwerpen.be/index.php?option=com_myblog&show=Communisme-is-onmogelijk.html&Itemid=0). Het boek van de GIC geeft een meer afdoend antwoord over hoe een werkelijk communistische productie er dan wel moet uitzien, of ten minste, in welke richting ze moet evolueren en hoe die omwenteling moet gebeuren: van een economie met als motivatie de accumulatie van het kapitaal (laten we dat een “productiemaatschappij” noemen), naar een maatschappij met als motivatie bevrediging van de menselijke behoeften (wat ik een werkelijke consumptiemaatschappij noem en dat is dan geen negatief woord). Jammer genoeg vond ik het boek niet meteen op het internet en kan ik u momenteel enkel een zelfgetypte inhoudsopgave doorsturen. Ge kunt echter al raden waarover het gaat a.h.v. de titels.*

Het is zeker dat die liberale kritiek zeer terecht is voor de zogenaamd “communistische” regimes met als schoolvoorbeeld het Stalinistische Rusland die in feite maar een vorm van zeer sterk gecontroleerd en gecentraliseerd kapitalisme zijn, typisch voor staten die economisch zwak staan. Opdat Rusland, China, Cuba, Cambodja… zouden kunnen concurreren met de West-Europese landen en de VS kunnen zij geen of maar een beperkte vrijheid van ondernemen toestaan, aangezien elke misstap een significante verzwakking van hun economische positie op wereldvlak zou betekenen. Maar in een toestand van toenemende economische en imperialistische spanningen, m.a.w. in de vervalfase van het kapitalisme, is die tendens tot verstaatsing algemeen, enkel is het in die zwakkere landen duidelijker.

De betrekkingen tussen de staat en de burgermaatschappij

In de opkomstperiode van het kapitalisme bestond er een duidelijke scheiding tussen politiek (een terrein voorbehouden aan specialisten in staatsmanschap) en economie, wat het gebied van het kapitaal en de afzonderlijke kapitalisten bleef. In deze periode was de staat, hoewel hij er al toe neigde zich boven de maatschappij te verheffen, nog steeds voor het overgrote deel overheerst door belangengroepen en fracties van het kapitaal die zich vooral uiten in het wetgevende deel van de staat. De wetgevende macht overheerste nog steeds overduidelijk de uitvoerende: het parlementaire stelsel, de vertegenwoordigde democratie, bezaten een werkelijkheidsgehalte en vormden de arena waarbinnen de verschillende belangengroepen elkaar te lijf konden gaan.
Omdat de rol van de staat het behoud was van de sociale orde in het belang van het kapitalistische stelsel als geheel en op de lange termijn, kon hij ook enkele hervormingen doorvoeren ten gunste van de arbeidskrachten en tegen de barbaarse excessen in de uitbuiting van de arbeiders, te wijten aan de onverzadigbare onmiddellijke vraatzucht van de afzonderlijke kapitalisten (bijvoorbeeld de ‘Tien-Uren-Wet’ in Groot-Brittannië, de wettelijke beperking op de kinderarbeid, enzovoort).

De periode van het kapitalistisch verval wordt gekenmerkt door het opslorpen van de burgerlijke maatschappij door de staat. Daardoor verloor de wetgevende macht, die oorspronkelijk de rol had de maatschappij te vertegenwoordigen, iedere betekenis ten opzichte van de uitvoerende macht, die bovenaan de staatspiramide staat. In deze periode worden politiek en economie verenigd: de staat wordt de belangrijkste kracht in de nationale economie, en zijn werkelijke beheerder. Hetzij door geleidelijke integratie (de gemengde economie), hetzij door bruuske omwentelingen (de volslagen verstaatste economie) houdt de staat op een vertegenwoordiging van kapitalisten en belangengroeperingen te zijn: hij wordt de collectieve kapitalist die alle afzonderlijke belangengroepen onderwerpt aan zijn ijzeren wet. De staat, als verwerkelijkte eenheid van het nationale kapitaal, verdedigt de nationale belangen binnen het blok waartoe het behoort en tegen het rivaliserende blok. Verder neemt hij rechtstreeks op zich de uitbuiting en de onderwerping van de arbeidersklasse te verzekeren.”

De proletarische strijd tijdens de vervalperiode van het kapitalisme, Internationale Revue – 2004, nr. 16, http://nl.internationalism.org/booktree/553

Een echte vrije markt bestaat dus niet meer en kan ook niet meer bestaan. Voorstanders hiervan denken nog in de 19de eeuw te leven. Zo zijn de argumenten van de altermondialisten/antiglobalisten een illusie voor de arbeidersklasse, aangezien zij schreeuwen om meer staatscontrole over “onverantwoordelijke” multinationals. Maar vandaag is “vadertje staat” misschien zelfs de grootste uitbuiter van haar bevolking. In de 19de eeuw had zij een eerder regulerende werking, hoefde zij zich ook niet te moeien met economische kwesties en kon de vrije markt inderdaad floreren.

Ik geef toe dat heel deze uitleg aan diepgang mist, maar als je het verschil tussen een economie van vrije markt en een kapitalistische planeconomie wil begrijpen, is het belangrijk om ook de economische en politieke rol van de staat te snappen.

Hieronder nog de positie van de IKS over wat de staat zal moeten zijn tijdens de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme en hoe ze zal moeten verdwijnen. Het betreft een resolutie die na veel discussies werd aangenomen in 1979, maar er bestaan binnen de IKS verschillende standpunten over de rol en de functionering van de staat tijdens die periode. De brochure hierover (met alle argumentatie) bestaat jammer genoeg nog niet in het Nederlands, wel in het Frans, misschien in het Engels (de site van de ICC is nogal chaotisch). Er is ook een serie artikels die nu verschijnen in de Internationale Revue over de transitieperiode, die minder abstract zijn dan deze abstracte samenvatting.

Ik geef toe, ik heb dat ook allemaal niet gelezen, maar dan hebt ge al verwijzingen voor latere lectuur.

“The Period of Transition from Capitalism to Socialism

Resolution accepted at the 3rd Congress of the ICC (1979)

During the period of transition the division of society into classes with antagonistic interests will give rise to a state. Such a state will have the task of guaranteeing the advances of this transitional society both against any ex­ternal or internal attempt to restore the power of the old exploiting classes and main­taining the cohesion of society against any dis­integration of the social fabric resulting from conflicts between the non—exploiting classes which still subsist.

The state of the period of transition has a certain number of differences from previous states:

1. For the first time in history, it is not a state in the service of an exploiting minority for the oppression of the majority, but is on the contrary, a state in the service of the major­ity of the exploited and non—exploiting classes and strata against the old ruling minority.

2. It is not the emanation of a stable society and relations of production, but on the contrary of a society whose permanent characteristic is a constant transformation on a greater scale than anything else in history.

3. It cannot identify itself with any economi­cally dominant class because there is no such class in the society of the period of transi­tion.

4. In contrast to states in past societies, the transitional state does not have a monopoly of arms.

For all these reasons, marxists have talked of a “semi-state” when referring to the organ that will arise in the transition period.

On the other hand, this state still retains a number of the characteristics of past states. In particular, it will still be the guardian of the status quo, the task of which will be to codify, legalise and sanction an already exist­ing economic order, to give it a legal force which has to be acknowledged by every member of society.

In the period of transition, the state will tend to conserve the existing state of affairs. Be­cause of this, the state remains a fundamentally conservative organ that will tend:

a) not to favour social transformation but to act against it;

b) to maintain the conditions on which its own life depends: the division of’ society into classes;

c) to detach itself from society, to impose itself on society, to perpetuate its own existence and to develop its own pre­rogatives;

d) to bind its existence to the coercion and violence which it will of necessity use during the period of transition, and to try to maintain and reinforce this method of’ regulating social relations;

e) to be a fertile soil for the formation of a bureaucracy, providing a rallying point for elements coming from the old classes and offices which have been destroyed by the revolution.

This is why from the beginning marxists have always considered the state of the period of transition to be a “scourge”, a “necessary evil”, whose “worst sides” the proletariat will have to “lop off as much as possible” (Engels). For all these reasons, and in contrast to what has happened in the past, the revolutionary class cannot identify itself with the state in the period of transition.

To begin with the proletariat is not an econom­ically dominant class, either in capitalist soc­iety or the transitional society. During the transition period it will possess neither an economy nor any property, not even collectively: it will struggle for the abolition of economy and property. Secondly, the proletariat, the communist class, the subject which transforms the economic and social conditions of the tran­sitional society, will necessarily come up against an organ whose task is to perpetuate these conditions. This is why one cannot talk about a “socialist state”, a “workers’ state” nor a “proletarian state” during the period of transition.

This antagonism between the proletariat and the state manifests itself both on the immediate and the historic level.

On the immediate level, the proletariat will have to oppose the encroachments and the pressure of a state which is the manifestation of a society divided into antagonistic classes. On the historic level, the necessary disappearance of the state in communist society, which is a perspective which marxism always defended, will not be the result of the state’s own dynamic, but the fruit of the pressure mounted on it by the proletariat in its own movement forward, which will progressively deprive it of all its attributes as the progress towards a classless society unfolds. For these reasons, while the proletariat will have to use the state during the transition period, it must retain a complete independence from it. In this sense the dic­tatorship of the proletariat cannot be confused with the state. Between the two there is a constant relation of force which the prole­tariat will have to maintain in its favour: the dictatorship of the proletariat is exerted by the working class itself through its own independent armed unitary organs: the workers’ councils. The workers’ councils will partici­pate in the territorial soviets (in which the whole non—exploiting population is represented and from which the state structure will emanate) without confusing themselves with them, in order to ensure its class hegemony over all the structures of the society of the transitional period.”

http://en.internationalism.org/pamphlets/transition

Groeten,

Y.

*Ondertussen vond ik een Engelse versie op  http://www.kurasje.org/arksys/archset.htm, onder “Texts”, 1930, Fundamental Principles of Communist Production and Ditribution – GIK (Holland)

Advertisements