Correspondentie

11 02 2009

Een serie mails die een vriend en ik elkaar verstuurden. Misschien vinden meer mensen dan wij getweeën dit interessant. De mails behandelen allerlei thema’s: relatie maatschappij-natuur, revolutie-organisatie… Ik heb getracht zo veel mogelijke links te leggen naar artikels die worden besproken.

1 december 2008

Deze tekst (bijlage) gekregen van D. Een kritiek op de brochure van de LSP over het milieuprobleem. Vooral interessant vond ik het stukje over de kritiek op de groenen waar er ook nogal wat verwijzingen zijn naar allerlei boeken. De rest is ook interessant en goed geschreven, maar gaat over andere onderwerpen dan ecologie.

Er is ook onlangs een artikel verschenen in de internationale revue: “The world on the eve of an environmental catastrophe”. Op het internet verscheen een langere versie: http://en.internationalism.org/node/2697. Het zal verschijnen in drie delen. Dit eerste staat nogal bol van feitenmateriaal, dat ge ergens anders ook wel kunt vinden, maar ‘t geeft toch een mooi zicht van de omvang van het probleem. Vooral het stukje over het afvalbeheer vond ik goed, omdat het mooi illustreert hoe het wel degelijk een systeem is met als motivatie het winstbejag dat tot rampscenario’s leidt en niet anders kan dan geen rekening houden met de natuur, waarop zij nochtans van afhangt. Bestraffing van een kliek criminelen neemt die drijfveer niet weg. Wat bepaalt de drijvende kracht van een maatschappij? (Wow, zei ik dat? Ik heb er geen idee van eigenlijk.) Hoe kunnen we haar motivatie veranderen? (Daar heb ik wel een idee van.)

Als gij toevallig iets hebt of kent van de groenen over de relatie mens/natuur, graag doorgeven, aub.

Ciaokes,

Y.

2 december 2008

Bedankt voor de propaganda. Het verduidelijkt jullie positie omtrent ‘arbeiderspartijen’ en links. De tekst getuigt van een goede, logische en marxistische opbouw. Ik heb serieuze moeite met de idee van arbeidsraden als het antwoord op alles en manier van organisatie. Het klinkt uiteindelijk heel mooi, maar in elke organisatie hoe democratisch ze ook is, komt op den duur onder leiding te staan van enkelen en dan verwijs ik niet rechtstreeks naar de Stalinistische leugen (dé grootste leugen van de 21e eeuw), maar naar talloze voorbeelden in de geschiedenis: http://nl.wikipedia.org/wiki/IJzeren_wet_van_de_oligarchie
Ik vrees ook dat arbeidsraden alleen wat inefficiënt en tot oeverloos gepalaver zonder daadwerkelijke beslissing kunnen leiden.

Ik ben voor basisdemocratie en directe democratie (in de vorm van referenda) als aanvulling op representatieve vormen van democratie. Bij GROEN! is dit weekend het partijprogramma rond economie, stedelijkheid versus platteland en zorg democratisch aangepast door de leden, maar er is nog steeds een partij als organisatie en structuur om mensen te verenigen rond een zelfde gedachtegoed.

ALS (mopje) ik het goed begrijp is de kritiek van D. op de groenen en gauchisten gelijkaardig als die van Marx op de Utopische socialisten? Aangevuld met wat kritiek op de groene kritiek op het rationalisme (de ecologische stroming is trouwens ook geen afgelijnd geheel waar iedereen het eens is).

Ik ga vanavond een antwoord proberen te schrijven over jouw vraag omtrent de relatie mens/natuur. Ik ben geen politiek filosoof, maar ik zal trachten te antwoorden vanuit mijn eigen visie en de hulp van een aantal artikels uit Oikos.

Kameraadschappelijke groet,

Ys.

4 december 2008

Dag Ys.,

Bericht ontvangen. Over.

Heel kort: het gevaar bestaat inderdaad dat er geen besluiten worden genomen vanwege oeverloos gepalaver binnen arbeidersraden, maar zulke situaties komen meestal voor wanneer het revolutionair elan afneemt en de overtuiging van de noodzaak van dé revolutie afkavelt onder druk van de burgerlijke propaganda. Dat is mijn eerste gedachte. Verder denk ik dat ge naar de geschiedenis moet kijken en genoeg voorbeelden zult vinden van situaties waarin de raden wel degelijk tot beslissingen kwamen: waarschijnlijk vooral te Rusland en Duitsland in de periode 1917-1920, maar ook in de jaren 1968-1975 en rond 1980 werden er in Europa talloze actiecomités/stakingscomités etc. opgericht die tot eenheid leiden in de strijd en wel degelijk tot beslissingen leiden. Het meest recente verregaande voorbeeld waar ik notie van heb, is de situatie te Polen in 1980 die niet steunde op een partij of een vakbond, maar op comités of raden en die wel degelijk tot allerlei eisen kwam.

Misschien belangrijk om te vermelden is dat de arbeidersraden of soviets niet dé organisatorische vorm van het communisme zal zijn, maar het wel de vorm is van de revolutionaire organisatie. Hoe de communistische maatschappij zal georganiseerd zijn, is waarschijnlijk daarvan af te leiden, maar moet tijdens het revolutionair proces duidelijk worden. Een partij is volgens mij wel noodzakelijk om ideologische standpunten naar voren te brengen, richting te geven aan de revolutie, maar mag geen enkele beslissing nemen! Ze is en blijft maar een partij, un parti, dus een deel van de arbeidersklasse en staat niet gelijk aan de arbeidersklasse. De raden verzamelen het volledige proletariaat en enkel zij mogen beslissingen nemen, dus enkel de volledige arbeidersklasse. Natuurlijk zullen er verschillende tendensen bestaan binnen de klasse en kunnen besluiten lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Zeker dan wordt de invloed van de revolutionaire arbeiderspartij voelbaar en moet discussie tot een uitweg leiden. In tijden van snelle maatschappelijke vooruitgang zal hopelijk ook snel genoeg blijken welke besluiten de beste zijn.

Voila, dat zijn de eerste dingen die me te binnen schieten. Niet veel feitenmateriaal om mijn theorie te staven, dat besef ik, dus je moet me helemaal niet geloven. Als je een lek ziet in mijn uitleg, graag zeggen, want ik maak fouten, maar als niemand me dat zegt, weet ik er ook niks van.

De relatie mens-maatschappij-natuur (te bekijken als een driehoek, want de mens is immers ook deel van de natuur en de “natuur” van de mens strookt misschien niet met de maatschappij) lijkt me momenteel vrij complex, dus als je daarover iets kan zeggen, ‘t is heel welkom. Zeker tijdens lessen ecosysteembeheer (héél interessant, maar fel omstreden) waar die relatie constant aan bod komt.

Y.

4 december 2008

Dat “alle organisatievormen, onafhankelijk van het democratische of autocratische gehalte in het begin, onvermijdelijk oligarchisch worden.” is een onmiddellijk gevolg van “de leiders die hun eigen belangen willen behartigen, de dankbaarheid van de geleide groep en de passieve massa”, zegt Wikipedia. Dat is natuurlijk niet volledig onwaar, maar wat zijn dan de oorzaken van

  1. egoïsme
  2. de passiviteit van de massa’s?

Iedereen, ook de meest radicale communist, is in het kapitalisme geboren en is onvermijdelijk aangetast door de ideologie die tot nu toe altijd heeft geheerst in de menselijke hoofden, maar vermoedelijk nog veel sterker tot ontwikkeling kwam tijdens het kapitalisme: het eigen gewin, egoïsme, egocentrisme etc. Vroeger stoelde dit gevoel op een gebrek aan levensmiddelen. Er waren gewoon niet genoeg levensmiddelen voor iedereen voorhanden en iedereen moest aan zijn eigen overleving denken, simpel gezegd. Vandaag is er hiervan wel voldoende voor allen, maar zijn nog steeds niet alle levensmiddelen beschikbaar voor iedereen, aangezien de maatschappij er niet op is gericht iedereens behoeften te bevredigen. Het precair leven in het kapitalisme is een gunstige bodem voor een egoïsme zonder grenzen.

Proletarische organisaties zijn constant aan deze druk onderhevig en moeten zich daarvan bewust zijn, opdat catastrofes zich niet zouden voordoen: http://nl.internationalism.org/node/106. Daarom ook de permanente afzetbaarheid van eventuele vertegenwoordigers van arbeidersraden, daarom de blijvende verantwoording van die vertegenwoordigers t.o.v. de raad. Er bestaan immers geen “perfecte” persoonlijkheden, dus ook geen ideale leiders. In tijden van arbeidersstrijd kan een persoon net die eisen en argumentatie verdedigen die nodig worden geacht door de meeste arbeiders en dan zal men hem bijv. een mandaat toekennen om als vertegenwoordiger naar een ander comité te trekken om daar de standpunten en beslissingen van eerstgenoemde raad te verspreiden. Het is niet gegarandeerd dat die persoon de spreekbuis zal blijven van de gedachten en gevoelens van velen en waarschijnlijk zullen arbeiders in een latere fase een ander kiezen met een beter bewustzijn van de noden voor de ontwikkeling van de arbeidersstrijd. Dit is een voorwaarde opdat de dynamiek van de beweging blijft.

Het is ook in die dynamiek dat passieve massa’s actief worden. In de “democratische” landen mag iedereen wel zeggen wat hij wil, maar stuit ieder die fundamentele veranderingen wil brengen op de grenzen van het kapitalisme. – Bijvoorbeeld: als men eist dat het onderwijs niet langer een voorbereiding op de arbeidsmarkt mag zijn, maar een plek waar ieder tot volle ontplooiing komt, waarbij hij/zij allerlei thema’s kan studeren in plaats van in een keurslijf te worden geduwd van verplichte programma’s, dan kan je “democratisch” debatteren zolang je wil, het decadente kapitalisme zal dit nooit kunnen waarmaken, aangezien ze daarvoor niet voldoende geld heeft en elke investering moet opbrengen. Iedere afgestudeerde moet dus onmiddellijk inzetbaar zijn in het productieproces, indien nodig voor het kapitaal. De enige manier om een fundamentele veralgemeende verandering in bijv. het onderwijs mogelijk te maken is door het kapitalisme omver te werpen. – Tijdens de opbouw van een krachtsverhouding tussen proletariaat en bourgeoisie worden eisen ingewilligd en openen perspectieven zich. Een gevoel van hoop ontstaat. Mensen zijn sociaal: gevoelens zijn besmettelijk en verspreiden zich snel. In tijden van achteruitgang van die hoop, moet de revolutionaire partij de noodzaak van de revolutie opnieuw beargumenteren, want een revolutie steunt uiteindelijk op argumenten, niet op gevoelens.

Om af te sluiten: “Het probleem van de organisatievormen van de arbeidersstrijd staat niet los van de vraag naar de inhoud van deze strijd. De revolutionaire inhoud die de proletarische strijd vaak meteen gaat aannemen in de vervalperiode van het kapitalisme, is nauw verbonden met de organisatievormen waartoe de arbeidersklasse komt.” (Uit: De vakbonden tegen de arbeidersklasse, De organisatievormen van de arbeidersstrijd, IKS)

“Op zichzelf kunnen de organisatievormen van de klasse echter geenszins een voldoende voorwaarde zijn om de arbeidersstrijd van een werkelijke klasse-autonomie te verzekeren. De bourgeoisie kan zeer goed de organisatievormen die de arbeidersklasse in haar strijd ontwikkelt opnieuw inpalmen en in haar dienst stellen. Bovendien, wanneer men de aandacht van de arbeiders op dit probleem fixeert, kan dit een aanleiding zijn om het probleem van de ínhoud van de strijd weg te moffelen en om het revolutionair proces stil te leggen in een nog weinig ontwikkeld stadium. De organisatievormen zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het revolutionair proces, maar hun opkomst is eerder het spontaan product van de massa-actie dan een resultaat van de tussenkomst van de revolutionairen. Bovendien, als deze vormen er eenmaal zijn, zet het revolutionair proces zich niet voort op het gebied van de vorm, maar op het inhoudelijke vlak van de strijd. Het is dan ook op dit laatste vlak dat de tussenkomst van de revolutionairen een echte noodzaak is.” (Uit: De vakbonden tegen de arbeidersklasse, De tussenkomst van de revolutionairen, IKS)

Het behoud van een revolutionaire organisatie is een permanente strijd tegen de druk naar oligarchie, dat zich ook op persoonlijk vlak voert. Elke revolutionaire organisatie moet zich daar sterk van bewust zijn, wil ze overleven. De IKS is één van de weinige communistische organisaties die al meer dan 30 jaren bestaat, onder meer omdat ze een bewuste strijd voert tegen die tendensen die onvermijdelijk opduiken in haar kern. Ze stelt strenge eisen omtrent de werking van de organisatie, net om die organisatie te beschermen: http://nl.internationalism.org/ir/16_function.

Tot daar mijn commentaar.

Groetjes,

Y.

4 december 2008

Ik ben een antwoord aan het formuleren. Ik denk er diep over na! Het zijn geen gemakkelijke vragen.
Bedankt ook voor je uitvoerige antwoorden en de tijd dat je erin steekt. Ik denk erover na.

Kus

17 december 2008

Eindelijk een tekst van mij met een antwoord op de discussie. Ik ben begonnen met de vraag mens/natuur en “groen mensbeeld?”, maar ik heb het wat opengetrokken naar verschillen tussen ons en het milieuvraagstuk en een beetje inleiding in wat ecologisme inhoudt.
Ik heb hier mijn persoonlijke invulling van het ecologische gedachtegoed gegeven, en net als binnen het marxisme kan je daar wel wat verschillende strekkingen of meningen over vinden.
Ik ben niet zo tevreden over de tekst. Hij is wat vaag en heeft niet echt duidelijke structuur. Het is ook niet m’n bedoeling u in een bepaalde denkrichting te duwen. Ik wilde gewoon mijn denken wat uit te doeken doen en ik heb al schrijvende zitten denken. Er valt veel kritiek op te geven en mijn stellingen kunnen beter. Maar ach, al doende leert men.

Ik wil ook nog een antwoord formuleren op uw artikel over partijorganisatie. Ik ben nu ook een artikel aan het schrijven over groene economie. Voorts nog een mooi, niet wetenschappelijk, luchtig, maar wel duidelijk artikeltje over dé crisis en de uitwegen: http://www.oikos.be/schrijversgemeenschap/Tijd-voor-een-omslag.html Oikos is een erg interessant magazine, dat mijn mening serieus mee vormt.

Uw meningen zijn een ware uitdaging voor me. (…) Ik ben waarschijnlijk in deze tekst gefaald, maar binnenkort krijg je mijn tekst over groene economie.
(…)

Bedankt voor alles.

Uw vriend,

Ys.

Inleiding
Even een verduidelijking van de kritiek van de politieke ecologie op ‘wetenschap’, ‘vooruitgang’ en de moderniteit.

Groenen zijn niet tegen de industrie of wetenschap , maar staan er kritisch tegenover en betwijfelen dat het heilmakend zou zijn voor alle problemen. Technologische vooruitgang kan ook bepaalde gevaren met zich meebrengen (kernenergie , GGO’s, wapens). De technologie en het kapitalisme hebben de mensen niet bevrijd van de schaarste, maar creëren een permanente nieuwe schaarste. Marx wilde de schaarste opheffen, maar dit is onmogelijk aangezien we in een begrensde wereld leven. Door de onverzadigbare behoeften kan in ons type samenleving geen situatie van ware voldoening of bevrediging bereikt worden.

Langs de andere kant bestrijden groenen de wetenschappelijkheid van bepaalde zaken als ‘de economische wetenschap’. De economie die en masse gedoceerd en geleerd wordt is een louter beschrijvende, schandalig reductionistische status quo wetenschap die de huidige bezitsverhoudingen en ideeën over welvaart opdringt en de idee tracht te geven dat er geen alternatief mogelijk is. Terwijl diezelfde economische wetenschap helemaal niet ingebed is in de sociale wereld, miljarden mensen over het hoofd ziet, en uitgaat van een rationele, bemiddelde man uit ontwikkelde landen. Bovendien meet ze enkel monetaire transacties, vrouwen die thuis werken, zuiverende werking van bossen, vrijwilligerswerk, dat heeft eigenlijk allemaal geen waarde in de economische wetenschap.

Wat is de relatie mens en natuur?
Eerst en vooral dient de vraag gesteld te worden, wat is een mens? Is een mens een uniek wezen dat zich onderscheidt van dieren, de natuur? Waar begint cultuur en eindigt natuur?
Ik denk dat menselijke evolutie een samengaan is van biologie en cultuur, co-evolutie. Dat de mens doorheen zijn geschiedenis zijn omgeving vorm heeft proberen geven en de schaarste tracht te overwinnen.

Ik verwerp de sociobiologie die alles wil verklaren aan de hand van genetische survival of the fittest of de idee dat mensen gewoon intelligente dieren zijn. Als er iets wezenlijk is aan de mens is er dat hij een vorm van zelfbepaling en zelfbewustzijn is. Een mens weet dat hij een mens is en kan eerste orde verlangens hebben (ik heb honger en wil eten), maar ook tweede orde verlangens (goh, ik moet op mijn lijn letten, dus beter een appel eten dan speculaas). Hij kan zich in een andere situatie plaatsen (denken in het verleden en de toekomst).

Een mens is uiteraard ook maar een mens als hij zich als dusdanig erkend: ik ben een mens en dat hij erkent wordt als mens (jij erkent mij als mens). Jij herkent mij als mens door mijn uitzicht (put in de borst , krullen), maar ook doordat je me kan plaatsen in een context, een verhaal. Ik ben dus een persoon met identiteit (mijn muzikale voorkeuren, politiek, scholingsgraad. Een volwaardig mens is voor mij een bewust, handelend wezen dat zichzelf dus interpreteert en aan de interpretatie van andere mensen onderwerpt.

Het persoonsconcept; het leven van een mens, hangt uiteraard af van zijn omgeving, cultuur, maatschappij. Marxisten zijn (historisch) materialisten, wat volgens Wikipedia wil zeggen: Materialisme is de filosofie die de werkelijkheid, ook emoties en andere processen in het menselijk brein, uiteindelijk herleidt tot materie, dit in tegenstelling tot het spiritualisme. Het ‘zijn’ brengt uiteindelijk het ‘denken’ voort. Daar ben ik het al niet volledig mee eens, ik vind dat te reductionistisch en ik lig wat in het midden tussen idealisme en materialisme. Met het historisch materialisme heb ik nog meer moeite, aangezien ik vind dat ze de geschiedenis erg beperkt, en erg westers bekijkt en ik veel problemen heb met toekomstvoorspellingen.

Ik ben ook niet akkoord met de kritiek op het ‘consuminderen’ of het ‘zelfverarmen van de arbeiders’. De werkelijke, duurzame ecologische omslag is niet te realiseren binnen het kapitalisme, daar zal ik u niet van hoeven te overtuigen. Maar er is ook een bewustzijns- en cultuurrevolutie nodig die een nieuwe definitie geeft aan het goede leven, die minder gericht is op materiële groei die een einde maakt aan de allesverslindende concurrentiedrang en comodificatie van de mens en haar leefwereld.

De groene mens
Het groene denken is een kind van de verlichting, maar stelt vast dat de waarden van de verlichting: emancipatie, vrijheid, autonomie, gelijkheid niet gerealiseerd worden. De rede bevrijdde de mens van de natuur, maar nu wordt hij vastgekluisterd door de markt en de staat (eigenlijk kan je het kapitalisme noemen). De mensen en hun wereld worden volledig gereduceerd tot een economisch ding. De mens vervreemdt van zichzelf en van de omliggende wereld. De bron van die vervreemding ligt in de steeds groeiende productie en consumptie van goederen (terwijl ook steeds meer mensen uit de boot vallen). Groenen stellen hier een basisinkomen en nulgroei van de economie voor (meer uitleg kan volgen als dat gewenst is).

Ik stel het nu wel wat radicaal voor: ‘de mens is vervreemd’. Uiteindelijk is het leven nog zo slecht niet, maar het kan beter. Veel beter.

Het groene mens en wereldbeeld is in se holistisch, de wereld is meer dan de som van haar delen. Ik verwerp een te antropocentrisch mens- en wereldbeeld. Het welzijn van de Aarde en van de mensheid zijn intrinsiek verbonden met elkaar. We hebben de Aarde altijd gezien als een levenloos iets, een planeet waarop er leven heerst en niet een organisme waarvan ook de mensheid deel uitmaakt. Het hele cultuurproces dat de mens heeft ontwikkeld, stelde de mens in het middelpunt en beschouwde de natuur als een eindeloos te exploiteren goed, in functie van de mens. Het joods-christelijke denken enerzijds en het wetenschappelijke, technologische en kapitalistische vooruitgangsgeloof anderzijds hebben deze antropocentrische visie diepe wortels gegeven in onze cultuur en in ons denken en handelen. Het ontwikkelingsmodel dat hieruit ontstaan is, heeft altijd weinig verantwoordelijkheid aan de dag gelegd voor de ecologische goederen en zo een zware hypotheek gelegd op de gemeenschapsgoederen, niet alleen voor heel de mensheid van vandaag maar ook voor de komende generaties.

Daarnaast komt de groene beweging die zich opwerpt voor het behoud van de autonome leefwereld van mensen en streed tegen het oprukkende systeem (het kapitalisme, maar ook het toenmalige reëel bestaande socialisme) dat door zijn expansie de leefwereld verkleint. De groene beweging stelt de mens voor als een individu in verbondenheid met de rest van de wereld. Vrijheid is er pas als je de vrijheid van een ander niet afpakt. Als er nu heel veel vervuild wordt dan creëert dat de onvrijheid van volgende generaties.

Het ecosysteem en alle organismen die daarin leven hebben voor mij een bron van waarde, en het doet er niet toe of het al dan niet ten bate komt tot de mens. Een louter antropocentrisch wereldbeeld lijkt mij erg egoïstisch en moreel niet te verantwoorden. Uiteraard moet de mens de natuur naar zijn hand zetten om zijn beschaving op te bouwen en zijn voortbestaan te verzekeren. Maar de totale massa-uitsterving die nu aan de gang is, valt niet verantwoorden. De hypotheek die nu ook op komende generaties gelegd wordt is compleet onaanvaardbaar.

Voor mij zijn de mens en zijn samenleving, integraal deel van zijn ecosysteem.

De waarde van het zogenaamde niet ‘productieve land’, de natuur mag naast haar esthetische, rustgevende of het respect voor andere organismen ook economisch niet onderschat worden. Volgens een studie van de Europese Commissie verliest men 50 miljard euro per jaar aan ecosysteemdiensten door biodiversiteitverlies. Dit zou kunnen oplopen tot 14 triljoen dollar.

Ik ben sceptisch over het in geld uitdrukken van alles, maar het toont voor mij aan dat voor mij een verandering van de productieverhoudingen niet genoeg is (al beargumenteer ik dit hier zwak).

Ecologische strijd is heel vaak een sociale strijd, het behoud van de leefwereld gaat immers iedereen aan. Het zijn ook de zwakken, de armen, de arbeiders, de mensen in het zuiden, de mensen die er tout court het minst voor verantwoordelijk zijn die de grootste gevolgen van milieuvervuiling dragen.

Maar het gaat verder dan dat, een ecologische strijd kan voor mij ook gewoon puur voor het behoud van iets zijn (al zijn het maar de fucking walvissen). Ecologische strijd is voor mij in de eerste plaats een strijd naar een gelijke ecologische voetafdruk voor iedereen op deze planeet. Dat vergt een koolstofvrije, duurzame samenleving, maar ook een persoonlijke levensstijl die soberder, maar daarom ook misschien rijker is. Onbeperkte vleesconsumptie en vliegtuigreizen zijn maar voor een heel klein deel van de wereld weggelegd en zijn niet veralgemeenbaar tot de rest van de bevolking en hebben erg negatieve gevolgen voor andere mensen.

Grenzen en de vrijheid om daar in te bewegen zijn voor mij essentieel in het groene gedachtegoed.

Ik geef hier nu wel veeleer een milieu/natuur invulling van het groene denken, maar dat komt door mijn persoonlijke interesse en bekommernis en ook wel omdat het de vraag was. Uiteraard kunnen die groene premissen (holisme, grenzen aan de groei, emancipatie, lange termijn) ook verder getrokken worden tot mensenrechten (al heb ik daar ook veel kritiek op), armoede, gender, gelijkheid, vrede,…

Uiteraard ben ik wel een beetje hypocriet met m’n gedoe over ecologische voetafdruk, die van mij ligt waarschijnlijk een pak te hoog. Ik hoop dat je niet denkt dat ik dat slechts iets individueels zie. Het is een collectief probleem, dat collectieve oplossingen vereist.

Mag ik eindigen met een mooi citaat uit een erg mooi boek, ‘De laatste wildernis van Robert Macfarlane.’

‘Naarmate ik verder naar het zuiden was getrokken, was mijn idee over de vrije natuur veranderd, of beter: het had zich verbreed. Mijn oorspronkelijk beeld van een stuk wilde natuur als iets afgelegens, iets wat geen geschiedenis had, waar geen sporen op waren achtergelaten, leek me hopeloos eenzijdig. Niet dat Hope en Rannoch, de laatste bastions van wildernis, geen enkele waarde hadden. Nee, door hun kale ongenaakbaarheid, hun woeste eenvoud, wekten ze zoveel ontzag dat ze van onschatbare betekenis bleven. Maar ik had andere soorten ongerepte natuur leren kennen waarvoor ik eerder blind voor was geweest: de tomeloosheid van de groene natuur, de pure, woeste en chaotische kracht van het eindeloze, organische bestaan. De tomeloosheid had niets van doen met onherbergzaamheid, maar alles met volheid, vitaliteit en plezier. Onkruid dat opschiet uit een barst in een stoep, een boomwortel die onbeschaamd door een asfaltpantser breekt.: het waren evenzeer tekenen van een vrije natuur…

We zijn in verbrokkelde stukken uiteengevallen, dacht ik, maar de wilde natuur kan ons nog steeds tot onszelf terugbrengen.’

20 december 2008

Joe,

Toch efkens laten weten dat ik uw bericht heb ontvangen en de tekst gelezen. Het is een hele boterham, maar ik zal er met plezier op reageren (stap voor stap) na de examens.

Tot nieuwjaar!

Dein Freund

Advertisements




Staat & Economie

2 02 2009

Volgende mail behandelt volgende vragen: Hoe gebeurt de economische overgang van het kapitalisme naar het communisme? Welke rol speelt de staat daarin? Welke relatie bestaat er tussen de staat en de economie?

3 november 2008

Joep Ys.,

Er bestaat een werk van de Groepen van Internationale Communisten (GIC) getiteld “Grondbeginselen van communistische productie en distributie” dat precies beantwoord aan de kritiek van het liberale studentenblad (http://lvsvantwerpen.be/index.php?option=com_myblog&show=Communisme-is-onmogelijk.html&Itemid=0). Het boek van de GIC geeft een meer afdoend antwoord over hoe een werkelijk communistische productie er dan wel moet uitzien, of ten minste, in welke richting ze moet evolueren en hoe die omwenteling moet gebeuren: van een economie met als motivatie de accumulatie van het kapitaal (laten we dat een “productiemaatschappij” noemen), naar een maatschappij met als motivatie bevrediging van de menselijke behoeften (wat ik een werkelijke consumptiemaatschappij noem en dat is dan geen negatief woord). Jammer genoeg vond ik het boek niet meteen op het internet en kan ik u momenteel enkel een zelfgetypte inhoudsopgave doorsturen. Ge kunt echter al raden waarover het gaat a.h.v. de titels.*

Het is zeker dat die liberale kritiek zeer terecht is voor de zogenaamd “communistische” regimes met als schoolvoorbeeld het Stalinistische Rusland die in feite maar een vorm van zeer sterk gecontroleerd en gecentraliseerd kapitalisme zijn, typisch voor staten die economisch zwak staan. Opdat Rusland, China, Cuba, Cambodja… zouden kunnen concurreren met de West-Europese landen en de VS kunnen zij geen of maar een beperkte vrijheid van ondernemen toestaan, aangezien elke misstap een significante verzwakking van hun economische positie op wereldvlak zou betekenen. Maar in een toestand van toenemende economische en imperialistische spanningen, m.a.w. in de vervalfase van het kapitalisme, is die tendens tot verstaatsing algemeen, enkel is het in die zwakkere landen duidelijker.

De betrekkingen tussen de staat en de burgermaatschappij

In de opkomstperiode van het kapitalisme bestond er een duidelijke scheiding tussen politiek (een terrein voorbehouden aan specialisten in staatsmanschap) en economie, wat het gebied van het kapitaal en de afzonderlijke kapitalisten bleef. In deze periode was de staat, hoewel hij er al toe neigde zich boven de maatschappij te verheffen, nog steeds voor het overgrote deel overheerst door belangengroepen en fracties van het kapitaal die zich vooral uiten in het wetgevende deel van de staat. De wetgevende macht overheerste nog steeds overduidelijk de uitvoerende: het parlementaire stelsel, de vertegenwoordigde democratie, bezaten een werkelijkheidsgehalte en vormden de arena waarbinnen de verschillende belangengroepen elkaar te lijf konden gaan.
Omdat de rol van de staat het behoud was van de sociale orde in het belang van het kapitalistische stelsel als geheel en op de lange termijn, kon hij ook enkele hervormingen doorvoeren ten gunste van de arbeidskrachten en tegen de barbaarse excessen in de uitbuiting van de arbeiders, te wijten aan de onverzadigbare onmiddellijke vraatzucht van de afzonderlijke kapitalisten (bijvoorbeeld de ‘Tien-Uren-Wet’ in Groot-Brittannië, de wettelijke beperking op de kinderarbeid, enzovoort).

De periode van het kapitalistisch verval wordt gekenmerkt door het opslorpen van de burgerlijke maatschappij door de staat. Daardoor verloor de wetgevende macht, die oorspronkelijk de rol had de maatschappij te vertegenwoordigen, iedere betekenis ten opzichte van de uitvoerende macht, die bovenaan de staatspiramide staat. In deze periode worden politiek en economie verenigd: de staat wordt de belangrijkste kracht in de nationale economie, en zijn werkelijke beheerder. Hetzij door geleidelijke integratie (de gemengde economie), hetzij door bruuske omwentelingen (de volslagen verstaatste economie) houdt de staat op een vertegenwoordiging van kapitalisten en belangengroeperingen te zijn: hij wordt de collectieve kapitalist die alle afzonderlijke belangengroepen onderwerpt aan zijn ijzeren wet. De staat, als verwerkelijkte eenheid van het nationale kapitaal, verdedigt de nationale belangen binnen het blok waartoe het behoort en tegen het rivaliserende blok. Verder neemt hij rechtstreeks op zich de uitbuiting en de onderwerping van de arbeidersklasse te verzekeren.”

De proletarische strijd tijdens de vervalperiode van het kapitalisme, Internationale Revue – 2004, nr. 16, http://nl.internationalism.org/booktree/553

Een echte vrije markt bestaat dus niet meer en kan ook niet meer bestaan. Voorstanders hiervan denken nog in de 19de eeuw te leven. Zo zijn de argumenten van de altermondialisten/antiglobalisten een illusie voor de arbeidersklasse, aangezien zij schreeuwen om meer staatscontrole over “onverantwoordelijke” multinationals. Maar vandaag is “vadertje staat” misschien zelfs de grootste uitbuiter van haar bevolking. In de 19de eeuw had zij een eerder regulerende werking, hoefde zij zich ook niet te moeien met economische kwesties en kon de vrije markt inderdaad floreren.

Ik geef toe dat heel deze uitleg aan diepgang mist, maar als je het verschil tussen een economie van vrije markt en een kapitalistische planeconomie wil begrijpen, is het belangrijk om ook de economische en politieke rol van de staat te snappen.

Hieronder nog de positie van de IKS over wat de staat zal moeten zijn tijdens de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme en hoe ze zal moeten verdwijnen. Het betreft een resolutie die na veel discussies werd aangenomen in 1979, maar er bestaan binnen de IKS verschillende standpunten over de rol en de functionering van de staat tijdens die periode. De brochure hierover (met alle argumentatie) bestaat jammer genoeg nog niet in het Nederlands, wel in het Frans, misschien in het Engels (de site van de ICC is nogal chaotisch). Er is ook een serie artikels die nu verschijnen in de Internationale Revue over de transitieperiode, die minder abstract zijn dan deze abstracte samenvatting.

Ik geef toe, ik heb dat ook allemaal niet gelezen, maar dan hebt ge al verwijzingen voor latere lectuur.

“The Period of Transition from Capitalism to Socialism

Resolution accepted at the 3rd Congress of the ICC (1979)

During the period of transition the division of society into classes with antagonistic interests will give rise to a state. Such a state will have the task of guaranteeing the advances of this transitional society both against any ex­ternal or internal attempt to restore the power of the old exploiting classes and main­taining the cohesion of society against any dis­integration of the social fabric resulting from conflicts between the non—exploiting classes which still subsist.

The state of the period of transition has a certain number of differences from previous states:

1. For the first time in history, it is not a state in the service of an exploiting minority for the oppression of the majority, but is on the contrary, a state in the service of the major­ity of the exploited and non—exploiting classes and strata against the old ruling minority.

2. It is not the emanation of a stable society and relations of production, but on the contrary of a society whose permanent characteristic is a constant transformation on a greater scale than anything else in history.

3. It cannot identify itself with any economi­cally dominant class because there is no such class in the society of the period of transi­tion.

4. In contrast to states in past societies, the transitional state does not have a monopoly of arms.

For all these reasons, marxists have talked of a “semi-state” when referring to the organ that will arise in the transition period.

On the other hand, this state still retains a number of the characteristics of past states. In particular, it will still be the guardian of the status quo, the task of which will be to codify, legalise and sanction an already exist­ing economic order, to give it a legal force which has to be acknowledged by every member of society.

In the period of transition, the state will tend to conserve the existing state of affairs. Be­cause of this, the state remains a fundamentally conservative organ that will tend:

a) not to favour social transformation but to act against it;

b) to maintain the conditions on which its own life depends: the division of’ society into classes;

c) to detach itself from society, to impose itself on society, to perpetuate its own existence and to develop its own pre­rogatives;

d) to bind its existence to the coercion and violence which it will of necessity use during the period of transition, and to try to maintain and reinforce this method of’ regulating social relations;

e) to be a fertile soil for the formation of a bureaucracy, providing a rallying point for elements coming from the old classes and offices which have been destroyed by the revolution.

This is why from the beginning marxists have always considered the state of the period of transition to be a “scourge”, a “necessary evil”, whose “worst sides” the proletariat will have to “lop off as much as possible” (Engels). For all these reasons, and in contrast to what has happened in the past, the revolutionary class cannot identify itself with the state in the period of transition.

To begin with the proletariat is not an econom­ically dominant class, either in capitalist soc­iety or the transitional society. During the transition period it will possess neither an economy nor any property, not even collectively: it will struggle for the abolition of economy and property. Secondly, the proletariat, the communist class, the subject which transforms the economic and social conditions of the tran­sitional society, will necessarily come up against an organ whose task is to perpetuate these conditions. This is why one cannot talk about a “socialist state”, a “workers’ state” nor a “proletarian state” during the period of transition.

This antagonism between the proletariat and the state manifests itself both on the immediate and the historic level.

On the immediate level, the proletariat will have to oppose the encroachments and the pressure of a state which is the manifestation of a society divided into antagonistic classes. On the historic level, the necessary disappearance of the state in communist society, which is a perspective which marxism always defended, will not be the result of the state’s own dynamic, but the fruit of the pressure mounted on it by the proletariat in its own movement forward, which will progressively deprive it of all its attributes as the progress towards a classless society unfolds. For these reasons, while the proletariat will have to use the state during the transition period, it must retain a complete independence from it. In this sense the dic­tatorship of the proletariat cannot be confused with the state. Between the two there is a constant relation of force which the prole­tariat will have to maintain in its favour: the dictatorship of the proletariat is exerted by the working class itself through its own independent armed unitary organs: the workers’ councils. The workers’ councils will partici­pate in the territorial soviets (in which the whole non—exploiting population is represented and from which the state structure will emanate) without confusing themselves with them, in order to ensure its class hegemony over all the structures of the society of the transitional period.”

http://en.internationalism.org/pamphlets/transition

Groeten,

Y.

*Ondertussen vond ik een Engelse versie op  http://www.kurasje.org/arksys/archset.htm, onder “Texts”, 1930, Fundamental Principles of Communist Production and Ditribution – GIK (Holland)