Darwinisme en Marxisme

20 09 2009

Onderstaande inleiding werd geschreven naar aanleiding van de 3de ‘discussie- en ontmoetingsdag met de IKS’ (augustus 2009). Omdat 2009 in het teken staat van Darwin werd er gedebatteerd over het belang van zijn evolutietheorie voor de klassenstrijd doorheen de geschiedenis . Onderaan vind je een korte samenvatting van de discussie die de dag zelf door de deelnemers werd opgesteld.

Inleiding

Marx&Spencer

Over de betekenis van de evolutietheorie voor de positie van de arbeidersklasse vandaag en morgen

Darwin en de evolutietheorie

In 2009 wordt zowel Darwin’s 200-jarige als de 150e verjaardag van het verschijnen van zijn bekendste en belangrijkste werk ‘the origin of species’ herdacht. In dat boek kwam Charles Darwin, in navolging van voorgangers als Lamarck, op de proppen met het toen erg radicale idee dat diersoorten evolueren.

Wat in de ogen van vele westerlingen nu gemeengoed is, was anno 1859 een radicaal vernieuwend idee dat brak met het idee dat God alle levende wezens geschapen zou hebben en dat deze onveranderlijk zijn. 150 jaar later staan Darwin’s bevindingen nog steeds als een huis, al zijn ze nu meer gestaafd door ontdekkingen in de genetica.

Kort samengevat draait Darwin’s evolutietheorie om erfelijkheid en natuurlijke selectie. Organismen krijgen erfelijk materiaal mee van hun ouders, wat elk wezen dus veranderlijk en uniek maakt. Sommige veranderingen of mutaties in het genetisch materiaal zijn gunstig om te overleven. In een ‘strijd om het bestaan’ zullen enkel de best aan hun omgeving aangepasten overleven, de rest wordt weggeconcurreerd. Dit proces noemt men ‘Natuurlijke Selectie’ en verklaart hoe soorten veranderen en waarom ze dat doen. Dus als een mutatie een voordeel heeft, zoals een schutkleur bij vogels, dan zal deze eigenschap gaan domineren en zullen de vogels zonder schutkleur langzaam verdwijnen.

Sociaal Darwinisme

Darwin verwees in The Origin of Species af en toe nog naar God en hij sloot absoluut niet uit dat God enkele soorten op de aarde had neergepoot die dan spontaan waren beginnen evolueren. Atheïsme was in het Victoriaanse Engeland nog taboe. De Engelse burgerij leefde op min of meer goede voet met de aristocratie en de Kerk van Engeland.

In Duitsland waar Darwin’s geschriften grote furore maakte was de situatie heel erg anders. Daar werden de ideeën een instrument in handen van de nieuwe heersende klasse, de burgerij, de kapitaalbezitters, in haar klassenstrijd tegen de macht van de religie.[1] In het Darwinisme vond zij een uitstekende vrijgeleide om haar ideologie van concurrentie en individualisme te verdedigen. De grondlegger van dit ‘sociaal Darwinisme’, dat de leer van Darwin op de maatschappij toepast, was de filosoof Herbert Spencer. Hij vond dat de ‘strijd om het bestaan’ de maatschappij naar een hoger niveau tilde. De man was naast spoorwegingenieur, socioloog en redacteur bij The Economist ook notoir anti-socialist. Hij zei ooit: ‘Hoe erg ik de oorlog ook haat, ik haat het socialisme even erg, onder al zijn vormen.’ Hij zag evolutie als de evolutie van de homogene, starre maatschappij naar een heterogene maatschappij waar steeds meer differentiatie en specialisatie optreedt als gevolg van  arbeidsverdeling. Het ultieme utopia was dus een vrije kapitalistische markt met een perfecte arbeidsverdeling waar de staat slechts als nachtwaker zou optreden om mogelijke verstoring van het recht van de sterkste te vermijden. Laissez-faire was het credo en dit zou er toe leiden dat enkel de ‘sterkste’ mensen zouden overblijven. Dit zou dan uiteraard goed zijn voor de ontwikkeling van de perfecte, rationele mens. Zo ontwikkelde de maatschappij zich dus volgens Spencer, door natuurlijke selectie tussen individuen. Dit geloof is nog steeds wijdverbreid bij vele mensen. Kijk maar naar, The American Dream, die de illusie opwekt dat een man door hard werken overal kan geraken waar hij wil, of meer concreet: iedereen kan door hard werken stinkend rijk worden, dus rijkdom en ongelijkheid is gerechtvaardigd. Dit uit zich nu in het verzet van vele Amerikanen, vaak tegen de belangen van hun eigen klasse in, tegen een beperkte vorm van universele gezondheidszorg, omdat dit doelbewust ingaat tegen het geloof in de Amerikaanse droom. Zoals vaak met geloof is de realiteit anders en is de sociale mobiliteit erg beperkt in de Verenigde Staten.

Eugenetica

Het sociaal Darwinisme leidde op het einde van de 19e eeuw ook tot de ontwikkeling van de eugenetica die tot doel had het genetisch materiaal van de mens te veredelen om zo tot de perfecte, rationele mens te komen. ‘Biologisch gebrekkigen’ (onder die categorie vallen ook criminelen, prostituees, drugsverslaafden en andere sociaal onaangepasten) moesten gesteriliseerd worden opdat hun genetisch materiaal de mensheid niet zou ‘vervuilen’. Sociale problemen werden niet gezien als de verschrikkelijke uitbuiting en ongelijkheid die er heerste in die tijd in Europa, maar als de aard van bepaalde mensen. Zo berekende men dat een 83-jarige alcoholiste in totaal 894 nakomelingen zou krijgen waarvan: 67 crimineel recidivisten, 7 moordenaars, 181 prostituees, 142 bedelaars, 40 gekken, dus in totaal om en bij de 437 deviante elementen.

De nazi’s gingen uiteraard nog een stapje verder en gingen ook over tot de systematische euthanasie van asociale elementen en gehandicapten wat tot inspiratie leidde voor de Holocaust.

Deze akelige methodes roepen nu slechts onbegrip en afschuw op. Maar het sociaal Darwinisme leeft voor op een subtiele wijze. [2]

De wetenschap zal het wel oplossen

De wetenschap en vele hoge instanties verwachten erg veel van de genetica en neurobiologie, waar men ook sociale gedragingen tracht te verklaren aan de hand van neurologische processen in het lichaam. In het boek van de psychotherapeut Paul Verhaeghe ‘het einde van de psychotherapie’ toont hij aan dat de sociaal-economische realiteit een enorme invloed heeft op de aard en de omvang de van psychische problemen waar men mee worstelt. Tegelijk leeft bij vele mensen de consensus dat het allemaal biologisch-genetisch zal vastliggen. Hier speelt dan uiteraard de gezondheidsindustrie gretig op in met allerlei medicatie zoals viagra, antidepressiva om de mankementen te verhelpen. [3]

Biotechnologie als genetische manipulatie van gewassen moet het hongerprobleem in de wereld oplossen. Zo worden alle maatschappelijke problemen een technocratische kwestie die ‘de wetenschap’ wel zal oplossen, want de honger in Afrika zou te wijten zijn aan natuurrampen en het onvermogen van de Afrikanen zelf om een sterke economie op te bouwen. De rol van het grootgrondbezit, de overmatige vleesconsumptie in de geavanceerde kapitalistische samenlevingen, de monocultuur, de oneerlijke wereldhandel en een landbouwmodel dat gericht is op de meest koopkrachtige (export) vraag in plaats van op lokale behoeften, zijn allemaal vragen die niet gesteld zouden hoeven worden. Ook in de sector van de biotechnologie zien we vooral weer de aanwezigheid van het grootkapitaal dat boeren volledig afhankelijk van haar wil maken met patenten op zaaisel en pesticiden. Want genetisch gemanipulereerde organismen planten zich niet spontaan voort, waardoor dus boeren alles moeten gaan halen bij bedrijven als Monsanto. Technologie wordt dus zo een hulpmiddel bij de verdere uitbreiding van het kapitalisme, met alle nodige sociale en ecologische gevolgen.

Darwinisme en marxisme

We zagen reeds dat Anton Pannekoek schreef dat de evolutietheorie zo snel gemeengoed en wijdverbreid kon worden omdat het een rol kon spelen in de klassenstrijd en omdat het zo dicht bij de levenssfeer van de mensen stond.

Waar Darwin schreef over de evolutie van dieren, schreef Marx over de verandering van de maatschappijen. Marx neemt de mens en zijn productiemethoden centraal: “de ontwikkeling van de werktuigen van de technische hulpmiddelen,waarover de mensen beschikken, vormt dus de grondoorzaak, de drijfkracht van de gehele maatschappelijke ontwikkeling”, zo schreef Anton Pannekoek het. De ontwikkeling van de productiemethoden bepaalt de productieverhoudingen en die productieverhoudingen brengen automatisch klassenstrijd met zich mee. Het darwinisme bleek een instrument in de handen van de burgerij te zijn. Niet dat het darwinisme niet revolutionair was voor andere mensen. Het is de ultieme onttovering van de godsdienst. Maar voor marxisten is het kapitalisme geen eeuwig leven beschoren. De interne tegenstellingen van het kapitalisme zullen tot het socialisme leiden.

Ook Darwin zelf had absoluut geen hoge dunk van het sociaal darwinisme. Volgens Darwin was de natuurlijke selectie wel van toepassing bij de evolutie van de mensheid, maar ze deed dit niet door eliminatie van de ‘zwakkeren’. De evolutie van de mensheid is geen louter biologisch gegeven, maar ook evengoed een cultureel gegeven. De mens is een onvolgroeid wezen bij de geboorte en dus is opvoeding centraal bij het mens worden. In een beschaving werkt de natuurlijke selectie niet meer op het vlak van de organismen. Er is slechts een toename van sociale vaardigheden waar te nemen zoals solidariteit, empathie, altruïsme, dit in contrast met de invloed van het kapitalisme die de ontwikkeling van dat sociaal gedrag eerder belemmert. Er is dus een soort van omgekeerde natuurlijke selectie.

Voer voor discussie

Ik volg Darwin in zijn stelling dat de mens er evolutionair voordeel uit heeft gehaald om uit de harde ‘strijd van het bestaan’ te blijven en steeds meer samen te werken. Pleiten voor het recht van de sterkste, is meestal louter een soort van rechtvaardiging van de bestaande arbeidsverhoudingen.

Ik stel me wel de vraag of marxisten soms niet dezelfde fout maken als de sociaal Darwinisten. Kunnen we natuurwetten bepalen voor de geschiedenis van de mens? Kan men aan de hand van de geschiedenis, de toekomst voorspellen of is er geen doelmatigheid in de geschiedenis te bespeuren? Volgens de filosoof Karl Popper is het Marxisme niet weerlegbaar en daarom te verwerpen als pseudo-wetenschap. Het lijkt me interessant om in de discussie na te gaan of er wel degelijk toenemende sociale vaardigheden te bespeuren zijn bij de mensheid.

Ik denk niet dat we zo ver moeten gaan, maar ik denk wel dat het belangrijk is het verschil tussen de sociale wetenschappen en de exacte wetenschappen te behandelen. Bij de humane wetenschappen is de onderzoeker niet alleen toeschouwer, maar ook steeds deelnemer aangezien hij zelf een mens is. Marx had een vurige verontwaardiging en haat ten opzichte van het kapitalisme. Zijn wetenschappelijk socialisme kan dus nooit puur dezelfde objectiviteit hebben als de wetten van Keppler of zelfs de evolutietheorie. Dit moet ook niet, het positivisme is niet geschikt om de menselijke werkelijkheid te verklaren. Exacte wetenschappen beschrijven en voorspellen, sociale wetenschappen  trachten meer te begrijpen en voor dit begrip is de sociale context zeer belangrijk.

Denkers als Darwin en Marx toonden aan dat de sociale context veranderlijk is en daarom belangt dit volgens mij de arbeidsklasse aan. De mens is geen dier dat gebogen gaat onder de natuurwet van de natuurlijke selectie, integendeel doorheen de geschiedenis is vaak gebleken dat dit zelf contraproductief is. Andere samenlevingsvormen zijn mogelijk.

Deze discussie blijft ook actueel in het kader van het opkomende creationisme in de Verenigde Staten, maar zeker ook in de moslimwereld. Het geloven in de schepping wordt een teken van verzet tegen de ‘liberale’, decadente, seculiere maatschappij. In de Verenigde Staten vindt men de hardste vorm van kapitalisme, zonder verzorgingsstaat of sociale correcties. In zo’n maatschappij is de drang naar een almachtige, alwetende God groter dan in een menslievendere maatschappij. Religieuze leiders beseffen tevens hoe sterk de macht van godsdienst is om mensen achter zich te scharen. Zo mobiliseert christelijk rechts miljoenen stemmen bij de arbeidersklasse voor de republikeinen in de Verenigde Staten. Hoe moet de arbeidsklasse zich verhouden tegenover dit toenemende religieuze fundamentalisme? Is dit ook een bedreiging voor Europa?

We zagen bovendien ook dat volgens Spencer de strijd tussen individuen de motor van de maatschappij vormt en dat dit proces niet verstoord mag worden. Concurrentie heeft tijdens een kapitalisme enorme technologische vooruitgangen met zich meegebracht, maar is tevens vaak vernietigend voor de sociale vaardigheden van de mens. Ligt concurrentie in de aard van mens en is het essentieel voor de menselijke ontwikkeling? Zijn er hier alternatieven voorhanden?


[1] Marxisme en darwinisme door Anton Pannekoek

[2] Europeana, Fagel

[3] Eos, September 2009

Samenvatting discussie

Deze samenvaating werd aangenomen door de deelnemers op de discussiedag zelf

Een rijke discussie. Er is vooral aangedrongen op de band tussen het darwinisme en het marxisme.

Het darwinisme legde vooral de nadruk op de strijd voor het overleven en het marxisme op de klassenstrijd. Beide onderstrepen de dimensie van de evolutie, het darwinisme in het geval van de soorten, het marxisme in het geval van de maatschappij. De breuk met een onveranderlijke visie en de religie werd als een belangrijk punt aangehaald. Vandaag beklemtoont de bourgeoisie vooral het ‘atheïsme’ bij Darwin, maar gaat de dimensie uit de weg van de evolutie als een fundamenteel gegeven voor de menselijke evolutie. De mens bouwt zelf aan zijn eigen geschiedenis, het is een sociaal wezen dat in staat is om de zwakkeren in haar maatschappij te integreren. Als het socialisme wordt losgekoppeld van het historisch materialisme, van de theorie van de evolutie, vervalt het in een ethisch socialisme dat het socialisme predikt omdat het goed is en niet omdat het noodzakelijk is. Ook de rol van de wetenschap werd aangekaart en er werd gesteld dat de wetenschap niet boven de maatschappij staat maar er totaal deel van uitmaakt en heel dikwijls verbonden is met ideologieën. Ook het anarchisme baseert zich op een vorm van ethisch socialisme, dat een andere maatschappij eist op grond van absolute beginselen (gelijkheid, enz.).

Een persoonlijke indruk

(fragment uit correspondentie)

De discussie over Darwin was bijzonder interessant. Er zijn dingen gezegd die voor mij vrij nieuw en verhelderend waren. Bijv. over hoe de evolutietheorie een gevaar kan betekenen voor de bourgeoisie, omdat de evolutiegedachte de tijdelijkheid van het burgerlijk bestaan in vraag stelt, als die evolutiegedachte op de maatschappij wordt toegepast. Maar hoe gebeurt maatschappelijke evolutie? Iedereen leek het erover eens dat de biologische wetten hier niet op een directe wijze van toepassing zijn. Volgens mij hebben ze wel een invloed, maar de manier waarop bijv. genen tot expressie komen is zeer sterk afhankelijk van de maatschappelijke context. Ik vond het tevens interessant dat het verband werd gelegd tussen die evolutiegedachte en het reformisme en het ontstaan van het ethisch socialisme. Ook het feit dat de bourgeoisie bij de herdenking van Darwin alle nadruk legt op het anti-creationisme van Darwin en bijna geen op het sociaal-Darwinisme vond ik heel terecht opgemerkt. Op de universiteit is dat toch zeker van toepassing, terwijl het net daar is dat je kritiek verwacht, al blijft die burgerlijk van aard. Misschien is het net omdat de heersende klasse er enorme voordelen aan heeft dat ze de verwarring in stand houdt. Ik denk aan alle artikels en experimenten i.v.m. het bewijzen van de genetische aard van pedofilie, gewelddadigheid e.a. Het gebeurt op een heel subtiele wijze: artikels ontkennen niet dat de ‘omgeving’ (lees: ‘maatschappij’) een invloed heeft op ‘gedragskenmerken’ als gewelddadigheid, maar ze beperken zich tot de biologische kant van de zaak en bespreken amper deze ‘omgevingsinvloeden’, wat een sociaal-darwinistische visie bevordert. Mensen en andere dieren en planten worden zo gereduceerd tot onveranderlijke biologische mechanismen waaraan gesleuteld kan worden als aan machines. We kunnen hier gemakkelijk het verband zien met de kapitalistische ideologie die arbeiders niet als mensen ziet, maar als levensloze machines die moeten renderen. Biologisch ‘gebrekkigen’, zoals gehandicapten, ouderen en zelfs zwangere moeders zijn verlieslatend en kunnen maar beter ‘vermeden’ worden. We hoeven maar naar de vele abortusgevallen te kijken om te bemerken dat gehandicapten niet gewenst zijn door het kapitalisme. Naast het feit dat deze visie onethisch is, is ze ook niet wetenschappelijk. Biologische systemen zijn niet mechanistisch, als een keten van elkaar uitlokkende botsingen. Deze visie is deterministisch d.w.z. dat het hele verdere verloop van de biologische evolutie zou vaststaan en bijgevolg zou de evolutie bijna als iets statisch zijn, net als het middeleeuwse beeld van onveranderlijke soorten in een onveranderlijke wereld. Maar deze discussie is voor een andere keer. Ik geef jullie alvast een alinea (uit een cursus) die ik heel interessant vond voor wat betreft het determinisme in de natuur.

Quantumfysica

Ondertussen bleek dat de newtoniaanse mechanica haar bruikbaarheid verliest op het niveau van de atomen en subatomaire deeltjes.

Het gedrag van een elementair deeltjes bleek niet strikt afgeleid te kunnen worden vanuit een bekende begintoestand, hoogstens kan een statistische waarschijnlijkheid berekend worden. Een deeltje bleek ook geen deeltje in de klassieke betekenis, maar heeft een golfkarakter met een in principe onbegrensde uitgebreidheid.

De klassieke begrippen waarop de newtoniaanse natuurkunde steunde, moesten losgelaten worden. De energie bleek gequantiseerd en daardoor een zeker deeltjeskarakter te krijgen, terwijl aan de deeltjes een golfkarakter moest toegekend worden. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd zo door mensen als Niels Bohr, Werner Heisenberg; Erwin Schrödinger en anderen, de quantumtheorie ontwikkeld, die op adequate wijze de natuur op subatomair niveau beschrijft.

In de quantumfysica verliest de natuur haar deterministisch karakter. Wat we een deeltje noemen, wordt beschreven door een golffunctie, waarbij de golf de waarschijnlijkheid voorstelt van de aanwezigheid van het “deeltje” op een bepaalde plaats en bepaald tijdstip. Een welbepaalde positie kan dus niet aan het deeltje toegekend worden, hoogstens een spreiding in ruimte en tijd volgens een bepaald waarschijnlijkheidsverdeling. Wanneer een deeltje waargenomen wordt, verwerft het op dat moment, als gevolg van de interactie met de detector de plaats en de waarneembare eigenschappen die de waarnemer vaststelt.

Causaliteit (eenduidige oorzaak-gevolg-relaties) en localiteit (een systeem ondergaat alleen locale invloeden) kunnen niet gehandhaafd blijven. Deze nieuwe inzichten hebben een paradigma-wisseling op gang gezet, waarvan de diepere betekenis nog altijd onderwerp van discussie is.

Advertisements




Kunst

25 04 2009

Deze tekst werd opgesteld en her-opgesteld na een dag van debat, georganiseerd door de IKS in augustus 2008, en waarvan één van de thema’s over kunst ging. Tijdens de discussies heb ik de mogelijkheid gehad om een standpunt te uiten dat grofweg overeenkomt met wat ik van de kwestie denk en die grotendeels gefundeerd was op persoonlijke intuïties. Na het debat nodigde men mij uit om mijn tussenkomst op papier te zetten, kwestie van er een spoor van na te laten. Zoals gewoonlijk aanvaardde ik de uitnodiging, maar deze keer besloot ik mijn engagement niet te verwaarlozen. Eerst had ik moeite om mezelf de inhoud van wat ik had gezegd te herhalen. Niet dat ik het vergeten was, maar het scheen me toe dat mijn opinies berustten op grotendeels vage ideeën die een algemeen principe verborgen dat me leek te onderscheiden wat betreft de kunst, zonder het terug te vinden in wat ik had uitgedrukt. In plaats van mijn tussenkomst te herschrijven, heb ik uiteindelijk getracht opnieuw van nul te starten en mijn opinies eerder terug te vinden langsheen hun wortels dan in mijn herrinneringen.

Zo luidt de eerste alinea van onderstaande tekst die voorlopig nog niet in het Nederlands werd vertaald. Ik plaats hier alvast de oorspronkelijke versie en hoop dat het zal bijdragen tot het verklaren van  de politieke betekenis van de kunst.

Zie ook het artikel op deze blog: “Kunst & Revolutie”

L’ ART

Ce texte a été rédigé et re-rédigé suite à une journée de débats organisée par le CCI en août 2008 et dont l’une des thématiques portait sur l’art. Lors des discussions, j’ai eu l’occasion d’exprimer un point de vue qui agglomérait grossièrement ce que je pensais de la question et qui était largement fondé sur des intuitions qui m’étaient personnelles. Au sortir du débat, on m’invita à mettre mon intervention sur papier, histoire d’en laisser une trace. Comme d’habitude, j’acceptai, mais cette fois je me résolus à ne pas négliger mon engagement. J’eus d’abord du mal à me répéter à moi-même la teneur exacte de ce que j’avais dis. Non que je l’avais oubliée, mais il me semblait que mon opinion reposait sur des idées largement floues qui occultaient un principe général qu’il me semblait discerner au sujet de l’art sans parvenir à le retrouver par ce que j’avais énoncé. Au lieu de réécrire mon intervention, j’ai finalement tenté de repartir de zéro et de retrouver mes opinions par leur racine plutôt que dans mes souvenirs.

Ce qui suit est un pur essai. Je ne m’appuie pas sur un large corpus d’écrits au sujet de l’art et pourtant, le domaine est vaste et a torturé bien des penseurs. Loin de prétendre à une quelconque érudition en la matière, je me base plutôt sur mon expérience personnelle de l’art, une expérience que tout le monde partage sans doute à des degrés divers. Certains concepts que j’utilise pour m’exprimer proviennent de lectures qui ont généralement peu de rapport avec le sujet, voire pas du tout. Le cinéma est sans doute le seul art sur lequel je peux prétendre avoir un avis plus “autorisé”, car il me passionne et est pour moi un sujet de travail. J’admets que plutôt que de compulser une documentation complète, j’ai opté pour une réflexion intuitive dépourvue de l’érudition à laquelle on confère habituellement l’autorité. Ce choix relève en partie du fait que pareille recherche serait laborieuse et que je ne suis pas sûr d’être disposé à la mener. Cette disposition qui me fait défaut est certainement en partie intellectuelle mais aussi relative à la préoccupation qui la commanderait. En effet, l’art est une question certes passionnante mais susceptible de préoccuper nos esprits aussi longtemps qu’on s’intéresserait à elle. Je fais donc le choix de ne pas trop m’y attarder, au risque de répéter maladroitement ce que d’autres auraient déjà dit ou invalidé. En formulant de la sorte une idée qui est mienne, je veux surtout me donner l’occasion de “vider mon sac” sur la question pour, finalement, expliquer et fonder ma posture politique sur le sujet.

Ce qui suit pourra sembler très éloigné des préoccupations politiques, marxistes et révolutionnaires. Cela sera peut-être décevant et pourrait passer pour une prise de tête conceptuelle un peu vaine. Surtout, j’énonce péremptoirement plein de choses fort discutables qui mériteraient peut-être d’être creusées, développées et solidement étayées. Mais comme la question est extrêmement vaste, je prends le parti de parler de ce qui me semble essentiel et d’abandonner toute une série d’angles d’attaque pourtant passionnants : la question de la mimesis (l’art doit-il représenter le réel ?), de la fiction (tout art est-il fictif ?), du plaisir que produit l’art, mais aussi de sa dimension économique (quid de l’art dans le système marchand capitaliste ?). Dans ce texte, le chemin qui va de l’art à la politique peut sembler tortueux. L’approche politique de l’art y occupe une place marginale mais il m’a semblé important d’établir les éléments propres à l’art qui justifient ma conclusion. Dans celle-ci, j’ai surtout cherché à clarifier les éléments qui, au sujet de l’art, me semblent devoir occuper, voire inquiéter, ceux qui contestent le système capitaliste dans lequel nous baignons.

L’impossible définition

Vouloir définir l’art est un exercice dont le résultat m’apparaît presque toujours insatisfaisant. Une première méthode consisterait à tenter de décrire non pas l’art mais les arts. Cependant, dresser cette liste semble rapidement se heurter au fait que de tous temps, les hommes ont manifesté leur génie artistique en trouvant de nouvelles manières de faire de l’art, et donc, en inventant sans cesse de nouveaux arts. La moindre innovation technologique est un prétexte et mieux encore, la moindre contrainte semble, elle aussi, pouvoir produire son art. Nous ne pourrons parler ? Nous serons mimes. Nous ne pouvons nous battre ? Nous danserons (je pense à la capoeira). Illimités, les arts dont on a pu, parfois, croire qu’ils permettraient de cerner l’art, s’avèrent, au contraire, souligner l’infinitude du champ de la création artistique.

On serait alors tenté de trouver dans tous les arts la caractéristique unique qui leur serait commune et qui, ce faisant, serait l’essence de l’art. Cette tentative, c’est l’esthétique. Pour qu’il y ait art, il faudrait qu’il soit, d’une manière ou d’une autre, agréable, à l’esprit humain (1). L’art ne serait donc que le beau, il s’offrirait au jugement de l’esthétique qui le qualifierait d’être ou non un art. Mais on ne sort pas vraiment du problème. Les goûts et les couleurs ne se discutent pas et si le proverbe est à ce point invoqué c’est bien que l’esthétique est une bataille que personne ne peut prétendre remporter. Et tous les arts répondraient-ils de près ou de loin à une esthétique ? Si l’esthétique est simplement le beau, au sens où la chose est agréable aux sens, beaucoup d’œuvre en échappent. Souvent, un film ne sera pas jugé pour ses qualités esthétiques mais pour sa capacité à divertir. De même en est-il de certaines musiques (le hardcore, la techno,…), appréciées pour les sensations qu’elles procurent et qui trouveraient leurs fondements dans la transe ou le vertige plutôt que dans l’harmonie. Mais on pourrait contre-argumenter en disant que l’esthétique est l’ensemble des critères qui font qu’une oeuvre est appréciée. Comment en arriverait-elle à distraire ? Comment produit-elle le vertige ? Pourquoi cette toile plaît-elle à l’oeil ? L’esthétique serait alors un domaine beaucoup plus vaste, aussi vaste que l’art puisqu’il s’étendrait jusqu’aux confins du plaisir que l’homme tire de l’art. Sous cet angle, alors effectivement, l’art est l’esthétique, et vice et versa. Nous voilà bien avancés.

Finalement, la seule manière de produire une définition qui ne risque pas d’être contestée est de sombrer dans la tautologie : l’art c’est l’art, ou plus exactement : il y a art quand on dit qu’il y en a. Son champ est donc potentiellement infini, tout pourrait devenir de l’art et on ne peut pas en faire, par avance, l’inventaire. Si elle peut paraître facile, ou un peu bête, cette manière de dire n’est pas pour autant dénuée de fondement car il apparaît impossible de certifier ce qui est ou sera de l’art parce qu’il s’agira toujours d’un jugement qui repose sur une appréciation subjective, individuelle, qu’on soit du côté de l’artiste ou du “spectateur”. Extrêmement générale, cette appréciation permet pourtant de tenter de désigner l’art dans son essence : il y a l’art lorsque quelqu’un l’a reconnu. Il n’existe donc qu’à travers la perception de l’homme, l’art n’existe pas par lui-même. Conséquence : il n’est pas nécessaire à l’art d’être connu d’avance par celui qui le perçoit. C’est dans l’esprit humain qu’il survient, pas en amont. L’art est une chose perçue subjectivement par l’homme. Mais qu’est-ce que cette chose qui s’actualise dans la subjectivité individuelle ?

L’art comme signification potentielle

Ma proposition au sujet de l’art est qu’il survient lorsqu’une expérience du monde s’exprime ou se perçoit subjectivement à travers quelque chose, qui est l’œuvre d’art. L’art est ce qui accueille et génère, tant pour celui qui le crée que pour celui qui le perçoit, une impression, un sentiment, un ressenti, un transport… quelque chose qui échappe à la connaissance préalable qu’on a du monde. L’art est toujours quelque chose qui est de l’ordre de la surprise, de la fulgurance. Il est un mystère qui s’anime lui-même (2).

Du point de vue de l’artiste, l’art serait une tentative d’exprimer une perception qui est la sienne, son champ recouvre donc tout ce qu’il est possible de percevoir – intelligiblement ou non – du monde, de la société, des autres, de soi… et des rapports entre ces éléments. Cette expression vient véritablement au monde via un travail de médiatisation et de formalisation qui produit l’objet d’art en lui-même : le texte, le film, le tableau, la musique, le spectacle, toute chose qui permet de devenir un support à une communication et donc, un médium.

L’art est communication

Du point de vue de la communication, la particularité de l’art est qu’il communique en utilisant des langages (au sens le plus large du mot, celui du système conventionnel de signes vocaux et/ou graphiques (3)) qu’il détourne ou qu’il épaissit. L’art apparaît lorsque la signification conventionnelle, objective, d’un message laisse entrevoir une signification subjective d’autre chose qui complète le message (voire qui le modifie complètement). La création artistique pourrait donc être le fait d’inventer une autre manière de communiquer quelque chose qui ne se laisse pas exprimer par les seuls moyens langagiers reconnus comme objectifs. L’art ne s’offre pas sans ambiguïté à l’entendement humain. Il a une part d’objectivité, qui est le support de sa communication, mais son sens est ailleurs, au-delà du sens langagier.

Contrairement aux langages qui objectivent le sens en tendant à rendre transparent les médiums qu’ils utilisent, l’art cherche à faire impression et tire sa force du médium lui-même. Il serait un système de signes non convenus, peut-être un système de signes potentiels, et c’est de l’impression qu’il induit que naîtrait – que s’actualiserait – le sens artistique du message : le signifiant produit le signifié. C’est un procédé qui caractérise sans doute tous les arts : la poésie utilise la langue, le cinéma la grammaire audiovisuelle, la peinture des moyens figuratifs, le théâtre est multimédiatique et donc multilangagier, la BD combine figuratif et textes, etc. Mais il en va aussi de même pour les arts non narratifs, l’architecture, la couture ou encore la cuisine qui ne manquent pas d’utiliser des signes pour s’exprimer.

Quid alors de l’art abstrait ? On peut d’abord soupçonner que l’abstraction artistique absolue (au sens où l’art n’existerait que par lui) n’existe pas, il y aura toujours une intention en amont de l’œuvre, quelque chose qui enferme l’objet d’art dans un état culturel. Et quand bien même l’œuvre serait-elle inintelligible et incommunicable (et donc abstraite de tout formalisme langagier), il y aura toujours une interprétation de la chose artistique, sans laquelle, sans doute, cette chose ne saurait être qualifiée d’art par la société qui la réceptionne. Avant même de chercher le sens, on cherchera le signe (comme le font peut-être les archéologues face aux objets auxquels ils sont confrontés).

L’art à la réception

Comme il n’y a pas de communication sans récepteur, il n’y a pas d’art sans public (l’artiste pouvant être le premier spectateur de son art (4)). La réception de l’oeuvre ne dépend pas de l’artiste mais de l’intelligibilité de la chose exprimée. Avec ce paradoxe que l’art n’étant pas objectivement intelligible (sinon il ne serait pas art mais simple message), il convoque autant la subjectivité du spectateur qu’il est le produit de la subjectivité de l’artiste. Un objet d’art sans spectateur, ce n’est pas de l’art. La communion de l’artiste et d’un public naîtra donc d’un rapport intersubjectif entre les deux (l’abstraction n’étant alors que le degré le plus faible de l’intersubjectivité puisqu’elle lutte contre la communication en évadant l’œuvre du langage). L’art comme signe collabore avec le spectateur pour créer le sens. Le génie d’un artiste tient donc autant de la force créatrice de sa subjectivité que de la manière dont il utilisera les langages pour influencer la subjectivité de son public. D’une certaine manière, c’est en réussissant à communiquer sa propre perception du monde, que l’artiste accède véritablement à ce statut auprès d’un public. Transmettre l’incompréhensible, évoquer la potentialité de quelque chose, voilà peut-être ce qui motive l’artiste. Mais en réalité, le mouvement est inverse. L’art se fonde dans la perception du spectateur, par son soupçon de la potentialité d’un signe et grâce au transport qui le frappe lorsqu’il croit découvrir ce qui ne se montre pas.

La place du public et la question de la réception sont régulièrement négligées malgré qu’elles soient fondamentales. Sans cesse en quête d’une vérité objective qui pourrait lire dans l’œuvre (au moyen par exemple de la dimension métrique de son esthétique : “les règles de l’art”), les critiques et les esthètes en viennent à construire l’artiste en lui prêtant des intentions et en saisissant sa psychologie pour, finalement, produire une représentation de cet artiste (5) destinée à éclairer ses intentions afin d’isoler ce qui serait le sens objectif de l’œuvre (6). Rares sont les commentateurs de l’art qui admettent qu’il tire son existence non d’un artiste mais, au mieux de la communication entre lui et un public et, au moins, du seul public à défaut d’artiste (comme l’observateur d’un beau paysage (7)). Cette angoisse de l’intention de l’artiste est sans doute bien normale si l’on perçoit l’art comme une communication. Sans doute traduit-elle la préoccupation de l’intelligibilité de la communication : si on nous parle, c’est qu’on a quelque chose à nous dire. Mais c’est bien les récipiendaires de l’art qui fondent le sens artistique. La réflexion sur l’art se présente alors comme un recyclage presque infini (une oeuvre aura mille sens), un recyclage qui ne s’achèverait qu’au moment purement théorique où la subjectivité qu’elle contient est réduite à une vérité objective. L’objet d’art deviendrait alors un signe convenu : totalement compris, devenu langage, l’art est mort. Ainsi, l’art se joue-t-il, il est incertain (8), potentiel.

Objectivité, vérité, réalité

Lorsque je parle d’objectivité ou de vérité, je n’entends pas quelque chose de “réel”. J’entends par objectivité le fait qu’une interprétation ou une représentation du réel soit l’objet d’un consensus (9). Prenons un exemple langagier : objectivement, le mot ‘lapin’ désigne un lapin. C’est une vérité. Mais pour le non francophone, ce mot n’est sans doute pas compris pour ce qu’il désigne : pour lui, le sens du mot ‘lapin’ n’est pas objectif, il n’est pas vrai. Tant qu’il ne le connaît pas, le sens qu’il lui donne peut même être faux. Il n’est pas dans le vrai. Mais ce vrai n’est vrai que pour le francophone. Pour ce non francophone, le mot ‘lapin’ peut très objectivement désigner un chasseur. Et ce sera vrai pour lui.

La question de l’objectivité, de la vérité et de la “réalité” est un processus perpétuel et dialectique. Face au réel, on produit une interprétation qui a un moment devient une vérité qui est objective pour tout ceux qui la partagent (10). Cette vérité vivra sa crise et souffrira à son tour au point qu’on la dira subjective, c’est-à-dire suffisamment critiquable par une autre vérité qui semble plus conforme au réel qu’elle représente, plus conforme avec ce qu’on ressent subjectivement de ce que le réel provoque (et tous les hommes ne ressentent pas pareillement le même réel). Finalement, les subjectivités sont des objectivités qui ne font pas consensus. Elles deviendront peut-être objectives pour le plus grand nombre lorsqu’on aura oublié qu’elles sont la subjectivité du plus grand nombre, et c’est un processus interculturel qui peut être violent. L’objectivité est un état simple de la conscience, elle tend à ne pas faire crise, à se donner telle qu’elle, transparente : elle apparaît évidente (on a appris qu’elle l’est). La vérité, produite par l’objectivité, est un discours sur le réel.

Si la science évolue en quête de meilleurs discours sur le réel, l’art suit un chemin parallèle qui s’autorise à explorer les impressions laissées par le réel pour en produire des témoignages qui ne se fondent pas sur le consensus de l’objectivité mais qui proclament leur subjectivité. Si la science s’invente en permanence des méthodes pour certifier le vrai et forcer l’objectivation des interprétations du réel – en fondant le consensus par une méthode expérimentale du réel -, si la communication entre les hommes tend à se doter de langages qui ne prêtent pas à l’ambiguïté, l’art ne s’encombre ni de la certification de ses interprétations, ni de l’objectivité de ses représentations. Si la science et la communication tendent à combattre les subjectivités pour instaurer des vérités objectives, des savoirs, l’art fonctionne sur un autre plan : il est l’expression de l’incertain, du potentiel et de l’éphémère. Il est le lieu du fictif, l’art est une vérité qui se cherche et qui se donne à voir en doutant d’elle-même.

Petit retour sur l’esthétique

Dans le dispositif par lequel je suggère de cerner l’art, et qui se veut une perspective, et non un enclos, l’esthétique semble absente, voire disqualifiée. Pourtant, difficile de ne pas l’évoquer tant elle est au centre de la question de l’art au point qu’il y est souvent réduit. On peut retenir que l’esthétique, comme somme des critères qui font l’art, occupe en quelque sorte une place qui tient de l’inventaire. Au niveau individuel, elle n’est pas opérante puisque ces critères sont ceux de la subjectivité propre à chacun. Mais au niveau de l’homme au pluriel, elle tend à formaliser ces mêmes critères dans des lois dont la quête et les principes animent la philosophie de l’art (et cette discipline intellectuelle qu’est l’esthétique).

L’élaboration de cette esthétique (ou des nombreuses esthétique propres à chaque art ou à chaque genre) conduit à formaliser les normes selon lesquelles une oeuvre sera évaluée pour gagner le statut artistique qui lui sera attribué non plus par le seul individu mais par un groupe social, qui partage une certaine culture commune autour d’une forme d’expression artistique. Ces cultures esthétiques se superposent, s’emboîtent, s’influencent ou s’ignorent. La plupart des francophones savent ce qu’est le pied d’un vers, mais ils sont peu à apprécier les règles d’un genre cinématographique aussi précis que le péplum italien des années cinquante.

Pour ma part, je vais chercher à rester dans ma perspective qui est que l’art est une signification soupçonnée par la subjectivité de l’individu. Dès lors, l’art serait la somme de toutes ces significations potentielles que l’homme a cru, croit et croira discerner dans ce qui l’entoure. Mais supposons que ce qui préoccupe l’homme soit la négociation permanente entre ce qu’il perçoit du monde et le savoir qu’il partage avec les autres. Dans ce processus qui va de la subjectivité individuelle à l’objectivité culturelle (sociale), l’esthétique occupe une place intermédiaire.

Il s’agirait alors d’une grammaire partagée et partageable qui permettrait aux hommes de soumettre au jugement culturel de leurs pairs ce qu’ils ont relevé comme étant de l’art pour en qualifier ou en disqualifier son potentiel de signification. L’esthétique serait en quelque sorte un tamis culturel par lequel passe le mouvement qui va de la subjectivité individuelle à l’objectivité culturelle. L’art naît d’une expérience individuelle qui tentera de se partager par l’argument de l’esthétique. L’esthétique serait la sensibilité culturelle que l’art doit frapper pour être reconnu comme tel par la communauté des hommes. En d’autres termes : un homme ne saurait partager l’art qu’il a perçu qu’au moyen de l’esthétique, qui est, au fond, non la grammaire du discours que tient l’art sur le réel, mais celle du discours que les hommes tiennent sur l’art.

Au sens où l’esthétique fonctionne comme un dénominateur de l’art commun aux hommes, et que les hommes partagent tous certaines caractéristiques (je vous laisse le soin de les désigner), sans doute existe-t-il une esthétique universelle. Mais l’esthétique existe sur une échelle qui va de l’universel (tous les hommes, en tous temps et en tous lieux) au particulier et ne s’exprime véritablement que là où une certaine culture est la plus cohérente ou la plus forte.

L’art et la politique
Proposé de la sorte, l’art n’est pas un problème. Il apparaît comme une conquête culturelle de l’homme dont il incarne la puissance imaginative et créatrice. Pourtant cela ne dispense pas l’art d’avoir un rôle politique.
En tant que moyen pour les hommes d’explorer et d’exprimer la réalité, et de tenir sur elle un discours, l’art participe pleinement aux puissances qui s’exercent sur la conscience que l’individu a du réel : la société dont il est membre et le monde dans lequel il vit. L’art est un outil pour les idéologies, il est un fond pour le savoir humain et est donc un enjeu de pouvoir. La nature subjective de l’art ne le place donc pas systématiquement dans une posture subversive. Ce n’est pas parce qu’il exprime différemment les choses qu’il contredirait automatiquement les opinions qui dominent. Par nature, l’art n’est pas révolutionnaire.

Au contraire, l’art est un outil puissant pour les idéologies qui contribuent à maintenir l’exploitation d’une partie de l’humanité par une autre. La puissance subjective que l’art sollicite peut redoubler les discours objectifs de discours subjectifs, les renforçant. Le sacré, par exemple, est à ce titre une forme d’art. Les dispositifs rituels entraînent ceux qui y participent à entrevoir des sens qui ne sont pas énoncés mais qui sont suggérés, invisibles et généralement inexprimables (la nation, les hauteurs, la dignité, la supériorité, le divin, etc.). La puissance artistique du rituel épouse très bien les intérêts des idéologies qui dominent et peut, par des procédés subjectifs, renforcer leur emprise voire incarner illusoirement leur objectivité pour la fonder (11).

De manière plus ordinaire, l’art participe du quotidien en étant pratiqué par le plus grand nombre. Ceci étant dit, l’art est aussi un moyen de communication. Dès lors, il est indissociable des relations humaines (puisqu’il n’existe que par la relation à l’homme).

Il y a cependant deux dimensions qui donnent potentiellement à l’art un rôle contestataire ou progressif. Il se présente parfois comme une alternative aux systèmes de communication dominants. La maîtrise des langages est à la fois un enjeu pour les élites mais également un moyen de renforcer leur pouvoir. En “parlant” mieux les langages qu’elles ont produit et qu’elles maîtrisent, elles façonnent les communications à leur profit tout en compliquant l’expression des alternatives. Ainsi, les langues vernaculaires parlées par les élites ont bien souvent été les passages obligés de ceux qu’elles dominent (le latin, le français, l’anglais, etc. et tous les jargons : juridiques, scientifiques…). Mais il ne s’agit pas que du langage parlé (ou écrit), il en va de même pour toutes les esthétiques qui finissent par caractériser tel art ou tel autre (en matière de peinture, de cinéma, de théâtre, etc. et qui tendent à les rendre objectifs (12)) et qui sont autant de savoirs qui instaurent des distances sociales (car leur maîtrise contribue aux identités de classe) et qui les maintiennent (13).

Dans ces configurations, l’art en tant que moyen de communication informel s’offre comme une alternative et peut potentiellement devenir le moyen par lequel communiqueraient entre eux d’autres groupes sociaux qui composent la société. Les langages “populaires” sont d’ailleurs souvent artistiques en ceci qu’ils sont moins formalisés que les langages dominants (ce sont des systèmes moins conventionnés). Mais ils sont aussi plus fragiles car ce qu’ils médiatisent tirent une bonne part des subjectivités – c’est-à-dire de ce qui s’exprime en dehors des objectivités de l’idéologie – de ces groupes sociaux et de leur culture au sens large. Les subjectivités, et les cultures dont elles découlent, sont sensibles aux situations dans lesquelles elles baignent, les arts qui dépendent d’elles et qui ne s’appuient pas sur des codifications convenues, institutionnalisées, sont moins pérennes (c’est notamment tout l’enjeu que constitue la sauvegarde des traditions orales).

Si l’art permet à ceux qui ne dominent pas l’énonciation des savoirs d’exprimer tout de même ce qu’ils ressentent ou ce à quoi ils aspirent, il peut aussi s’allier au progrès lorsqu’il permet l’expression de ce qui est réprimé par ailleurs. On sait l’usage puissant qu’il peut être fait de la métaphore artistique en termes de propagande. L’art comme expression des impressions subjectives que produit le réel sur l’homme permet aux contradictions sociales de s’exprimer. Tout ce que le dispositif des savoirs dominants ne parvient pas à dompter ou tout ce contre quoi les idéologies s’opposent – notamment ce qu’elles tentent de masquer – trouve dans les arts un canal d’expression. Ceci ne veut pas dire qu’en exprimant ce qui est tu ou contrarié, les arts soient des alternatives aux idéologies. En effet, le discours que l’art tient n’est pas forcément opérant comme alternative. Plus simplement, il contribue à faire vivre ce que les idéologies structurantes n’ont pas réussi à domestiquer. D’une certaine manière, l’art est le portrait du réel au sens le plus large, au-delà des discours et des raisons du siècle. Il ratisse large : il est la moisson des réalités offerte aux meules des interprétations (14).

Conclusion : que faire des arts ?

1) L’art est un instrument pour les propagandes. Le processus qui le constitue le rend efficace quand il s’agit de dominer la raison, de passer au-dessus d’elle. Il suscite des émotions qui peuvent servir les pouvoirs, il est au cœur des dispositifs de domination, de dressage, des consciences. Il côtoie le savoir dont il peut épaissir les forces suggestives : il subjugue. Et cela requiert l’attention de ceux qui contestent.

2) Au titre de processus médiatique, il peut échapper aux contrôles des raisons qui règnent en permettant de créer d’autre canaux de communication entre les hommes, des canaux qui reposent précisément sur la créativité humaine et qui peuvent échapper aux dispositifs qui visent à les encadrer et à les prévoir. Mais ces canaux restent fragiles tant qu’ils ne reposent pas sur des conventions, ce qui est à la fois leur force – ils échappent aux idéologies dominantes – et leur faiblesse – ils peuvent être aisément détournés de leur signification première (FIG. I).

3) L’art ne cesse d’exprimer le réel tel qu’il est ressenti par l’homme. Dès lors, il peut contribuer à dire les contradictions et à les souligner avec force, avant même qu’elles soient comprises et que leurs interprétations soient partagées. Il reste alors aux hommes à comprendre les arts, ce qui revient – finalement – à vouloir les vaincre au profit d’un nouveau savoir.

Daniel

(1) Ainsi, pour Kant, “la beauté artistique est une belle représentation d’ une chose”. Emmanuel Kant, Critique de la faculté de juger, 1993, Librairie philosophique J. Vrin.

(2) Si ce mystère est considéré hors de l’ homme qui lui donne vie, l’ objet d’ art devient un fétiche: il aurait son mystère en lui.

(3) Voir la définition du trésor de langue française: http://atilf.atilf.fr/

(4) C’ est la philosophie du film Blow Up d’ Antonioni où les artistes trouvent le sens de leur oeuvre après l’ achèvement de celli-ci. Le photographe imagine le crime derrière l’image. N’ayant compris la force de sa propre subjectivité, il s’enferme dans la résolution du meurtre, qui est l’intrigue du film (mise en abyme par l’usage du hors-champ que le lieu par excellence de la subjectivité du spectateur). Son ami peintre, au contraire, sait que le sens vient après l’oeuvre: il pense ses oeuvres lorsqu’il  les contemple achevées. Tout auteur qu’il soit, il adopte la posture du public pour apprécier l’art dont il est pourtant le producteur.

(5) Les artistes eux-mêmes présentent ce paradox de construire parfois, au fil de leur oeuvre, un langage qui veut tout dire, tout de suite. ke style d’ un artiste finit par constituer son art. Son esthétique devient sa propre représentation. D’autres artistes suspendent leur production parce qu’ils n’ont plus rien “à dire”.

(6) Combien de livres n’aurait pas été écrits sans cette quête du portrait de l’artiste par lequel on explique son oeuvre?

(7) Frappé par la beauté de l’art, le théologien n’est peut-être qu’un historien de l’art qui s’ignore. Comme le photographe du film Blow Up d’Antonioni, il croit voir le crime et cherche son auteur. Il ne comprend pas qu’il est l’auteur du crime, c’est lui qui donne sa beauté au paysage.

(8) Le technicien de l’art ne joue pas, il exécute (ce qu’on dit d’un musicien “sans âme” par exemple)

(9) Comme le signal le Trésor de langue francaise au sujet de l’objectivité: “Qualité de ce qui donne une représentation fidèle de la chose observée.”

(10) Nietzsche disait: “La vérité est une multitude mouvante de métaphores, de métonymies, d’antropomorphismes, bref, une somme de relations humaines qui ont été rehaussées, transposées, et ornées par la poésie et par la rhétorique, et qui après un long usage paresse établies, canoniques et contraignantes au yeux d’un peuple: les vérités sont des illusions dont on a oublié qu’elles le sont, des métaphores usées qui ont perdu leur force sensible, des pièces de monnaie qui ont perdu leur empreinte et qui entrent dès lors en considération, non plus comme pièces de monnaie, mais comme métal.” Friedrich Nietzsche, Ecrits Posthumes, Paris, Gallimard, 1975.

(11) Un des exemples les plus évidents est le cinéma de Leni Riefenstahl, mis au service du mtyhe du surhomme nazi. Mais l’émotion suscitée par les arts est en permanence exploitée pour justifier les idéologies. Plus quotidiennement, on peut s’en apercevoir en analysant de près un reportage de journal télévisé. Combien d’images complètent réellement l’information textuelle en apportant une information supplémentaire? Très peu en vérité: les images, souvent d’archives, ont pour fonction essentielle de redoubler  le sens du commentaire à l’aide de l’émotion, des stéréotypes, des motifs. Un reportage télévisé fera plus forte impression, précisément parce qu’il s’appuie sur des procédés qui impliquent plus le spectateur dans la production du sens.

(12) La formalisation des courants artistiques est d’ailleurs un processus qui fait crise, dialectique, qui finit toujours par produire la contestation qui le dépassera. L’histoire des arts est jalonnée de ruptures, souvent violentes, qui séparent ce qui sera désormais l’ancien de ce qui se présentent comme le nouveau. Il en est ainsi de la littérature romantique face à la littérature ou au théatre classique (la bataille d’Hermani de Victor Hugo), de la Nouvelle vague contre le “cinéma de papa”, du punk contre le rock progressif, etc.

(13) La maîtrise des “règles de l’art” participe des cultures de classe. Au sujet de l’art, l’érudition ressemble souvent à une volonté de mieux connaître les arts. “Savoir apprécier” est une posture très identitaire, souvent snobe.

(14) “Ainsi, qu’il  soit peinture, sculpture, poésie ou musique, l’art n’a d’autres objet que d’écarter les symboles pratiquement utiles, les généralités conventionnelles et socialement acceptées, enfin tout ce qui nous masque la réalité même.” Henri Bergson, Le rire. Essai sur la signification du comique, Paris, 1950.

C'est tout le drame des slogans et de l'iconographie nés autour de mai 68. Dressés contre l'idéologie dominante et contre la société de consommation, ils sont rapidement devenus d'excellents supports publicitaires, détournés des oppositions qui les ont enfantés pour finalement soutenir leur contraire.

C'est tout le drame des slogans et de l'iconographie nés autour de mai 68. Dressés contre l'idéologie dominante et contre la société de consommation, ils sont rapidement devenus d'excellents supports publicitaires, détournés des oppositions qui les ont enfantés pour finalement soutenir leur contraire.





Kunst & Revolutie

2 02 2009

Hieronder volgt een inleiding over kunst, geschreven door een kennis die hem voorlas tijdens een discussiedag (ontmoetings- en discussiedag met de IKS in augustus 2008).

Kan kunst de wereld veranderen, kan kunst een invloed uitoefenen op de maatschappelijke sociale bewegingen?

De gebruikelijke definitie van kunst slaat enkel op de schone kunsten, namelijk een vormgeving die bevrijd is van opgelegde eisen. Zoals de kunstenaar vorm geeft aan de kleuren op een doek naar zijn eigen visie, of de muzikant geluid omzet in concerten naar zijn eigen gevoel, of de poëet het blad verrijkt met zijn woorden naar zijn eigen fantasie. De vormgeving in de schone kunsten vereist arbeid en beoogt een artistieke waarde, het is daarom een productieve activiteit. Deze definitie van schone kunsten bestaat enkel als tegenhanger van een vuile kunst, namelijk de productie die maar één doel voor ogen heeft, het winstbejag. Men kan inderdaad stellen, dat wanneer de mens bevrijd is van onderdrukkingen, zoals de loonarbeid en de fysieke noden, zij een creatieve en plezierrijke activiteit nastreeft, al haar producten zijn dan ‘schone kunst’. Maar deze vrijheid staat de burgerij niet toe, als heersende klasse in het kapitalisme legt ze haar productiewijze op en met de uitbreiding van de massaproductie wordt de creativiteit van de mens steeds kleiner en geïsoleerder.
Deze inleiding is hoofdzakelijk beperkt tot de studie van kunst in het kapitalisme, haar rol in deze maatschappij is omwille van de ongelijke arbeidsverdeling volledig verschillend als in een klasseloze maatschappijvorm als het communisme, waar alle productie artistiek en menselijk kan zijn. Zoals Trotsky het stelt in Literatuur en Revolutie:
“ Het is fundamenteel verkeerd om de bourgeois cultuur en bourgeois kunst te vergelijken met de proletarische cultuur en kunst. De laatste zal nooit bestaan, want het proletarische regime is tijdelijk en verdwijnt. De historische betekenis en de morele grootheid van de proletarische revolutie bestaat uit het feit dat het de fundamenten legt voor een cultuur die boven alle klassen uitsteekt en die de eerste werkelijke menselijk cultuur zal zijn.” [Inleiding, vertaald uit het Engels van http://www.marxists.org]
Eerst wordt het omgekeerde en simpelere vraagstuk bestudeerd: wat is de invloed van de maatschappij op de kunst? Deze is overheersend en zal altijd bestaan, het is een direct gevolg van het feit dat de vormgeving gebeurt in functie van de productieverhoudingen en de productiewijze van de maatschappij. Als men de architectuur als voorbeeld neemt: de Egyptische piramide is een verheerlijking van de veroverde positie van de farao en haar ééntonige vorm weerspiegelt de lusteloosheid van haar bouwer, de slaaf. De invloed is zo enorm dat het enkel mogelijk is om de kunstgeschiedenis te verstaan in het licht van de maatschappelijke geschiedenis. Menige boeken, zowel in de arbeidersliteratuur als de bourgeois-literatuur, zijn aan dit onderzoek gewijd.
De microscoop wordt nu omgedraaid en we kijken naar de ogenschijnlijke minuscule invloed die de kunst op de maatschappij kan hebben. Deze invloed is indirecter en discreter: het is simpel om in te zien dat een kunstobject op zich de maatschappijstructuur niet kan veranderen, maar hoe dat dit kunstobject de toeschouwer beïnvloedt of wanneer de toeschouwer zich wilt laten beïnvloeden, is een moeilijkere kwestie. In ieder geval is hiermee al een deel van de vraagstelling beantwoord: in een maatschappij waar de artistieke creatie niet genesteld is in de dominante productiewijze, waar ze verdreven wordt tot een marginale rol, daar kan ze hooguit het bewustzijn beïnvloeden en niet de productieverhoudingen en productiewijze van de maatschappij wijzigen. Merk op dat deze invloed vaak wordt onderschat; de vraagstelling heeft in zich al dit vooroordeel: de vraag is niet hoe de kunst invloed heeft, maar of ze dat eigenlijk wel kan.
De productie met een opgelegde vuile winstlogica leidt natuurlijk tot een grauwe en monotone arbeid met oncreatieve producten, terwijl dat de productie met een vrije en schone esthetieklogica, een plezierrijke en creatieve ervaring biedt. Er zijn pogingen geweest om deze verdeling van de arbeid tegen te gaan, zoals de Arts & Crafts in Engeland of de Secessie in Oostenrijk, maar ze hebben uiteraard allen gefaald. Het kapitalisme heeft haar artistieke productie moeten isoleren tot een relatief klein aantal mensen, de kunstenaars. Het zou naïef zijn om vandaag nog te kunnen denken dat ze als enkeling of als groep in staat zouden zijn om de volledige sociale structuur van het kapitalisme direct te veranderen; sommige kunstenaars beslissen dan ook hun activiteit tot een persoonlijke bezigheid te beperken, zodat hun capaciteit om de wereld te beïnvloeden zeer miniem is, anderen wensen zich niet bezig te houden met de wereld en verwijderen elke sociale waarde uit hun kunst, dit is dan l’art pour l’art. Ten slotte zijn er kunstenaars die ervan overtuigd zijn dat ze een invloed hebben en ze engageren zich voor een sociaal doel, het is deze groep die zich mengt in sociale bewegingen en verder bestudeerd wordt.
Het sociaal doel van een persoon is natuurlijk sterk afhankelijk van zijn sociale positie, daarom de vraag: wat is de sociale positie van een kunstenaar? De kunstenaars die hun leven onderhouden met de verkoop van hun producten, hebben een kleinburgerlijke positie in de samenleving, ze moeten concurreren met hun medekunstenaars om hun levensonderhoud te bevorderen en deze asociale verhouding maakt het hun onmogelijk om als groep een gemeenschappelijk belang te verdedigen. De kwaliteit van hun levensonderhoud is gebaseerd op hoe goed of hoe veel dat ze kunnen produceren, ze moeten zichzelf daarvoor – met zin of tegenzin – uitbuiten. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat hun producten zelf een kleinburgerlijk karakter bevatten, dit zou een belediging zijn naar alle kunstenaars die oprecht en met vurigheid de sociale onrechtvaardigheid aankaarten, maar het is zeker dat hun afhankelijkheid van de markt de aard van hun producten beïnvloedt. Omwille van deze sociale positie is het sociaal doel van de kunstenaars als groep niet op voorhand te bepalen, het is een zeer heterogene groep. Het enige wat hun verenigt, is hun creatieve activiteit: elk verwerken ze in hun kunst hun gevoelens, ervaringen, omgeving en hoop op hun eigen individuele manier. Het is dan ook een individuele en chaotische broeinest en in die anarchistische vorm ontwikkelt de kunst zich ook het best. Elke andere levenswijze, elke vorm van controle – zoals het sociaalrealisme van de USSR of de culturele revolutie in China – amputeert haar individueel en vrij karakter en verdoemt haar dood te bloeden.
De sociaal geëngageerde kunstenaar kan geen invloed hebben zonder toeschouwers, daardoor is zijn invloed volledig afhankelijk van de sociale toestand van de maatschappij. Nochtans wachten kunstenaars niet op een grote sociale verandering om bepaalde gevoelens of gebeurtenissen te verwerken, versterken en verspreiden. Als minderheid die probeert het bewustzijn te beïnvloeden, vertonen ze gelijkenissen met politieke minderheden: deze analyseren en voorspellen politieke gebeurtenissen, waarmee ze hopen het politiek bewustzijn te verscherpen. De invloed op het bewustzijn van een massa is voor beide minderheden in feite gelijkaardig:
Eerst zijn er de periodes van sociale rust, dan wordt de invloed van een kunstenaar (of revolutionair) niet op directe en massale wijze gevoeld, ze wordt onderhuids gevoeld, in het bewustzijn van vele geïsoleerde personen, ze is één van die vele kleine rivieren die het bewustzijn insijpelt en er in blijft meanderen. Tijdens de sociale rust is er nog geen sterke kwantitatieve groei aan activiteit, zodat een kwalitatieve sprong uitblijft. Tot op een gegeven moment, mits het samenkomen van andere invloeden, er een reactie optreedt die een massale sociale beweging in gang doet schieten, er treedt dan een vermenigvuldigend effect op die de kunst in intiemere wisselwerking brengt met de beweging: de gevestigde sociale fundamenten worden betwijfeld en wankelen, de kanalen die de massa en de kunstenaar verbinden en die ingedijkt waren door censuur en de muren van het museum worden overspoeld, ze laten grotere openingen toe die meer invloeden het bewustzijn laten binnenstromen, zodat er steeds meer rondkolkt en ook terug naar buiten spat. Zo borrelt de creativiteit op bij steeds meer mensen, zwelt de kleine rivier aan en versnelt ze, wat op zich weer meer mensen meesleurt. Kwantitatief neemt de artistieke activiteit toe en duwt ze het kwalitatieve niveau omhoog.
Intiem verwikkeld in deze sociale beweging draagt deze kunst de sporen van de beweging, deze kunst krijgt dan als functie de beweging te kleden met een beeld dat past bij het karakter van de beweging: de sexuele en psychedelische muziek van The Doors paste bij de hippies en zette ze aan de repressie en de Vietnam oorlog te kritiseren, een slogan van mei ’68 was spontaan en direct zoals de nieuwe generatie, het moest de ogen opentrekken en mensen meteen betrekken. Elke kunstenaar heeft op zijn eigen manier bijgedragen tot het bewustzijn door de lucht van toen te vatten, de emoties in een passende vorm te gieten en de beweging aan te moedigen. Deze wisselwerking aanwezig bij massale sociale bewegingen beïnvloedt de toeschouwers evenals de kunstenaar: de ontwikkelingen in de kunst zijn niet per toeval het hevigst tijdens de massale sociale onrust van 1905, 1917 en 1968. Eenmaal dat het massaal karakter van de sociale beweging vervalt, laat ze een verfriste en gedreven geest achter die de artistieke creativiteit bij elke deelnemer doet naleven en voortwerken, ook de periodes na 1905, 1917 en 1968 bevestigen dit.
Dit proces is inderdaad zeer gelijkaardig aan de politieke bewustwording, maar er is een fundamenteel verschil, zoals Trotsky het stelt:
“De marxistische methode geeft de mogelijkheid om de ontwikkeling van de nieuwe kunst te schatten, al zijn bronnen te duiden, om de meest progressieve stromingen te helpen een kritische blik te geven op hun weg, maar het doet niet meer dan dat. Kunst moet zijn eigen weg volgen en volgens zijn eigen middelen. De marxistische methode is niet dezelfde als de artistieke.” [Inleiding, vertaald uit het Engels van http://www.marxists.org]
Terwijl dat de kunstenaar een individuele en artistieke uiting vertegenwoordigt, verdedigt de revolutionair het standpunt van de proletarische klasse. Sociale bewegingen in het kapitalisme hebben onvermijdelijk een politieke lading, waardoor beide minderheden elkaar kruisen en de neiging bestaat om kunst en politiek te vermengen. Er is vaak geprobeerd een politieke boodschap te verhullen op een artistieke wijze of zijn kunst ten dienste van de proletarische revolutie te leggen, zoals bijvoorbeeld bij Mayakovski, de Proletkult of de Situationisten. Dit vermengen verslechtert naar mijn mening beide pogingen om de sociale beweging een positieve invloed te geven, omdat ze door hun onverenigbaarheid tot compromissen leiden die beide methodes oneer aandoen. Hoe vaak gebeurt het niet dat een prachtig kunstwerk wordt verknoeid door een politieke uitspraak, of een politieke tekst aan duidelijkheid en scherpheid verliest door een artistiek effect te forceren.
Een aantal voorbeelden: 1) Gorter en andere politieke schrijvers hebben artistieke effecten verwerkt in hun politieke teksten, waardoor ze aan duidelijkheid en politieke slagkracht verliezen. De schoonheid van een politieke tekst – zoals in die van Marx, Luxemburg en Pannekoek – werd juist bereikt door trouw te blijven aan hun opzet: het vormen van een vlijmscherp en kristalklaar politiek bewustzijn. 2) De Guernica van Picasso probeert de ellende van het Spaanse volk in 1936 in één schilderij te plaatsen. Als men dit schilderij vergelijkt met zijn blauwe periode, slaagt de Guernica er niet in om dezelfde diepe verontwaardiging op te wekken noch de politieke situatie uit te leggen. Nochtans kan de blauwe periode wel politiserend zijn, het is immers moeilijk om niet beroerd te worden door de geniale afbeelding van de ellende rond hem, en in hem. 3) Vele Amerikaanse muziekgroepen tonen hun afkeer tegenover de Bush administratie tijdens hun Europees tournee, de politieke argumenten hiervoor worden nooit geformuleerd, ik vermoed zelfs dat er commerciële redenen achter schuilen aangezien deze afkeer in Amerika hoogstwaarschijnlijk niet wordt geuit. De muziek van Patti Smith is zeer inspirerend en uitdagend, maar haar oproep om te gaan stemmen voor Obama is een pijnlijke verflauwing van haar teksten. 4) In Antwerpen en Brussel werden concerten voor de verdraagzaamheid georganiseerd door vele muziekgroepen, onder andere dEUS en Arno, maar hoe dat deze eenmalige en korte stunt, waar ieder alleen naar de muziek luistert zonder te discussiëren over werkelijke verdraagzaamheid, is mij niet duidelijk. Het leek eerder een zet van de heersende Belgische bourgeoisie om jongeren aan te zetten op de ‘verdraagzame’ en ‘democratische’ partijen te stemmen.
In linkse milieus worden zulke evenementen als tactische momenten gezien, er kunnen dingen gebeuren. Trotsky heeft in zijn boek de moeite genomen om bijna alle grote kunststromingen tijdens de Russische revolutie onder de loep te nemen; hij toont daar bladzijde na bladzijde aan dat elke stroming die probeert de proletarische revolutie vooruit te helpen door een politiek standpunt in de kunst te verwerken, soms zelfs een soort van proletarische kunst tracht te bedenken, aan artistieke waarde verliest of faalt in het vatten van de geest van de revolutie. Aangezien de proletarische revolutie hoofdzakelijk een economische en politieke revolutie is, kan de kunst de revolutie op dat vlak niet helpen. Voor Trotsky moet het anarchisme eigen aan de creativiteit in de kunst verdedigd worden door revolutionairen en kunnen ze de kunst enkel helpen door haar een historische analyse te bieden opdat zij kritischer haar “eigen weg” kan volgen.
Het is vreemd dat kunstenaars gewaarschuwd moeten worden voor politieke inmenging, dat men de kunst moet beschermen van een politieke demarche opdat zij zichzelf geen oneer aandoet. Maar het is juist op deze manier dat ze eigenlijk werkelijk wordt bevrijd van haar eeuwenlange verstrengeling in klassenmaatschappijen. In zulk een structuur wordt de kunst altijd gedwongen de kant van de heersende klasse te kiezen, terwijl dat de kunst eigenlijk de meest intieme uiting van het individu en haar omgeving is.

23.08.08





Mei ’68 (mei 2008)

2 02 2009

Twee inleidingen voor twee discussies (in Antwerpen en in Brussel) over eenzelfde onderwerp: mei ’68. Veel inspiratie werd opgedaan bij het lezen van de artikels van de ICC (o.a. de artikels in Internationalisme nr. 336, 337, 338, 339).

Dit artikel tracht de gebeurtenissen die plaatsvonden in 1968 te Parijs te beschrijven. Gezien de omvang van de gebeurtenissen is het niet mogelijk om in dit artikel mogelijke antwoorden te formuleren op belangrijke vragen als ‘Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60?’, ‘Wat was de bedoeling van deze manifestaties?’, ‘Hadden de studenten illusies?’, ‘Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict?’, ‘Is Mei 68 een sexuele/culturele/sociale revolutie?’, ‘Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag?’ … Daarom organiseert de discussiegroep VUB in samenwerking met de Moeial een discussie op woensdag 14 mei om 19u aan de VUB in lokaal D1.0.7 waar deze vragen aan bod kunnen komen. Iedereen is welkom om mee te discussiëren.

Mei 68
Dit artikel tracht de gebeurtenissen die plaatsvonden in 1968 te Parijs te beschrijven. Gezien de omvang van de gebeurtenissen is het niet mogelijk om in dit artikel mogelijke antwoorden te formuleren op belangrijke vragen als ‘Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60?’, ‘Wat was de bedoeling van deze manifestaties?’, ‘Hadden de studenten illusies?’, ‘Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict?’, ‘Is Mei 68 een sexuele/culturele/sociale revolutie?’, ‘Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag?’ … Daarom organiseert de discussiegroep VUB in samenwerking met de Moeial een discussie op woensdag 14 mei om 19u in lokaal D1.0.7 waar dat deze vragen aan bod kunnen komen. Iedereen is welkom om mee te discussiëren.

Een internationaal gebeuren
In de jaren 60 waren er wereldwijd studentenmanifestaties, het centrale thema was de verwerping van de oorlog in Viëtnam: in Amerika organiseren de studenten al in 1964 een ‘sit-in’ om het recht op een politieke mening te eisen (“Free Speech”). In 1968 worden universiteiten bezet om te protesteren tegen de steun aan de oorlog in Viëtnam (“Make Love, not War”) en in solidatirteit met de bewoners van zwarte ghettos die vechten voor gelijke rechten. In England, Spanje en Italië vallen honderden gewonden en arrestaties bij manifestaties tegen de oorlog. In Duitsland vinden studentenrellen plaats vanaf 1967 en wordt Rudi Dutschke beschoten. In Mexico worden tientallen tot hondertallen studenten vermoord op het plein van de Drie Culturen opdat de Olympische Spelen in ‘kalmte’ kunnen verder gaan. Het is echter in Frankrijk dat de studentenstrijd omslaat in een massale en maandlange staking van 9 miljoen arbeiders, waardoor de beweging verder is gegaan dan een studentenstrijd: het oversteeg het generatieconflict en stelde in vraag de werking van onze maatschappij.

De studenten nemen het voortouw
Op 22 maart 1968 begon in Nanterre, in de westelijke voorstad van Parijs, één van de belangrijkste episodes van de wereldgeschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog. Op zich had wat er die dag gebeurde niets uitzonderlijks: om te protesteren tegen de aanhouding van een ulta-linkse student van Nanterre die ervan verdacht werd deelgenomen te hebben aan een aanslag tegen American Express in Parijs, houden 300 van zijn makkers een meeting in een amfitheater en besluiten 142 van hen de zaal van de Universiteitsraad in het administratiegebouw gedurende de nacht te bezetten. Het is niet de eerste keer dat de studenten van Nanterre uiting geven aan hun ontevredenheid. Precies een jaar eerder was er aan deze universiteit al een krachtmeting tussen studenten en politie over de vrije toegang tot het universitaire meisjestehuis, wat voor jongens verboden was. Op 16 maart 1967 verklaarde een vereniging van 500 bewoners, ARCUN, dat het intern reglement niet langer geldig was, een reglement dat onder meer de studentes, ook al waren ze wettelijk meerderjarig (toen was dat vanaf 21 jaar), nog als minderjarigen beschouwde. Als gevolg daarvan had de politie op 21 maart op verzoek van de universiteitsadministratie het meisjestehuis omsingeld met de bedoeling de 150 jongens die zich daar bevonden en zich op de bovenste verdieping gebarricadeerd hadden, te arresteren. Maar de volgende morgen werden de politiemannen zelf omsingeld door enkele duizenden studenten en ze kregen tenslotte het bevel de gebarricadeerde studenten vrijuit het gebouw te laten verlaten! Maar noch dit incident, noch andere uitingen van woede bij de studenten, zoals met name tegen het ‘plan Fouchet’ voor hervorming van de universiteit in de herfst van 1967, hadden verdere gevolgen.

Mouvement 22
Voordat ze de zaal van de Universitaire Raad verlieten besloten de 142 bezetters om de agitatie in stand te houden en te ontwikkelen door de ‘Beweging van 22 maart’ (M22) op te richten. Het is een informele beweging, in het begin samengesteld uit trotskisten, anarchisten (waaronder Daniel Cohn-Bendit) en maoïsten, en die in de loop van de komende weken meer dan 1200 deelnemers zal bijeenbrengen. De muren van de universiteit worden bedolven met affiches en graffiti: “Professoren, jullie zijn oud en jullie cultuur is dat ook”, “Laat ons leven”, “Neem je wensen voor werkelijkheid”. De M22 kondigt voor 29 maart een dag ‘kritische universiteit’ aan, naar het voorbeeld van acties van Duitse studenten. De rector beslist de universiteit te sluiten tot 1 april, maar de agitatie laait weer op zodra de universiteit heropend wordt. Voor 1000 studenten verklaart Cohn-Bendit: “Wij weigeren de toekomstige kaders te worden van de kapitalistische uitbuiting.” De meeste professoren reageren behoudsgezind: op 22 april eisen 18 van hen, waaronder mensen van ‘links’ dat “maatregelen en middelen worden ingezet om de agitatoren te ontmaskeren en te straffen”. De rector laat een hele reeks repressieve maatregelen goedkeuren, met name de vrije toegang van de politie tot de campus, terwijl in de pers een campagne losbarst tegen de “dollemannen”, de “groupuscules” en de “anarchisten”. De Franse ‘communistische’ partij (PCF) volgt haar daarin: “De agitatoren-rijkeluiszoontjes beletten de zonen van arbeiders te slagen voor hun examens” en “Die valse revolutionairen moeten met kracht ontmaskerd worden want objectief dienen zij de belangen van de Gaullistische macht en van de grote kapitalistische monopolies”.
Op de campus van Nanterre komt het steeds vaker tot gevechten tussen studenten van uiterst-links en de fascistische groepen van Occident die naar Parijs zijn gekomen ‘om dat linkse tuig op z’n bek te slaan’, om ‘bolsjewieken in elkaar te slaan’. Daardoor besluit de rector op 2 mei andermaal de universiteit te sluiten, die afgegrendeld wordt door de politie. De studenten van Nanterre besluiten de volgende dag een meeting te houden op de binnenplaats van de Sorbonne (andere universiteit in Parijs) om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van acht leden van M22, waaronder Cohn-Bendit.
Op de bijeenkomst komen slechts 300 deelnemers, de meeste studenten zijn druk bezig met de voorbereiding van hun examens aan het einde van het jaar. Maar de regering, die een einde wil maken aan de agitatie, besluit een grote slag te slaan door het Quartier Latin (studentenbuurt) te laten bezetten en de Sorbonne te laten omsingelen door de politie, die er ook binnendringt, wat in geen eeuwen meer gebeurd was. De studenten die in de Sorbonne zitten, krijgen de toezegging dat ze allen zonder problemen kunnen vertrekken, maar terwijl de meisjes vrij kunnen vertrekken, worden de jongens systematisch naar de celwagens van de politie geleid zodra ze de stoep oversteken. Al snel verzamelen zich honderden studenten op het plein van de Sorbonne die de politie beginnen uit te jouwen. Het begint traangasgranaten te regenen, het plein wordt ontruimd, maar de steeds talrijker studenten beginnen groepjes agenten en hun wagens te treiteren. De botsingen gaan ’s avonds vier uur lang door: 72 politieagenten raken gewond en 400 studenten aangehouden. In de volgende dagen vergrendelt de politie de omgeving van de Sorbonne volledig af, terwijl vier studenten worden veroordeeld tot effectieve gevangenisstraffen.

De beweging groeit en radicaliseert

Deze politiek van de harde aanpak legt de agitatie het zwijgen niet op, maar zorgt er juist voor dat ze massaal wordt. Vanaf maandag 6 mei worden de botsingen met de politie die rond de Sorbonne wordt ingezet afgewisseld met steeds massalere betogingen, waartoe M22, UNEF en SNESup (vakbond van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs) oproepen en die tot 45.000 deelnemers tellen die roepen “de Sorbonne aan de studenten”, “Smerissen uit het Quartier latin” en vooral: “Onze makkers vrij”. De studenten krijgen de steun van een groeiend aantal middelbare scholieren, leraren, arbeiders en werklozen. Op 7 mei steekt de betoging bij verrassing de Seine over en trekt over de Champs-Elysées, op twee stappen van het presidentieel paleis. De Internationale weerklinkt onder de Arc de Triomphe, waar men gewoonlijk alleen de Marseillaise (het Franse volkslied) of de Sonnerie aux morts (muziek voor de gesneuvelden) hoort. De betogingen slaan ook over naar sommige andere steden. De regering wil haar goede wil tonen door … de universiteit van Nanterre te heropenen op 10 mei. Dezelfde avond staan tienduizenden betogers in het Quartier Latin oog in oog met de politie die de Sorbonne afgrendelt. Om negen uur ’s avonds beginnen sommige betogers barricades op te richten (er komen er een zestigtal). Om middernacht wordt een delegatie van drie professoren en drie studenten (waaronder Cohn-Bendit) ontvangen door de rector van de Academie van Parijs, maar terwijl die de heropening van de Sorbonne toezegt, kan hij niets beloven inzake de vrijlating van de studenten die op 3 mei werden aangehouden. Om twee uur in de morgen begint de oproerpolitie CRS de barricades te bestormen nadat die overvloedig met traangas zijn bestookt. De botsingen zijn buitengewoon gewelddadig en veroorzaken aan beide kanten honderden gewonden. Bijna 500 betogers worden opgepakt. In het Quartier Latin betuigen veel bewoners hun sympathie door de studenten binnen te laten of door water op straat te gooien om hen te beschermen tegen traangas en offensieve granaten. Al die gebeurtenissen, en met name de getuigenissen over de brutaliteit van de ordestrijdkrachten, worden minuut per minuut door honderdduizenden mensen gevolgd op de radio. Om 6 uur ’s morgens “heerst de orde” in het Quartier Latin waar een tornado door lijkt te zijn getrokken.

De arbeidersklasse volgt
Op zaterdag 11 mei is de verontwaardiging immens in Parijs en de rest van Frankrijk. Spontane optochten vormen zich zo’n beetje overal, waarin niet alleen studenten lopen, maar honderdduizenden betogers van alle origine, met name veel jonge arbeiders of ouders van studenten. Buiten Parijs worden verschillende universiteiten bezet; overal, op straten en pleinen, wordt gedebatteerd en veroordeelt men het optreden van de ordehandhavers.
In antwoord op die situatie kondigt eerste minister Georges Pompidou in de avond aan dat vanaf maandag 13 mei de politiekrachten teruggetrokken zullen worden uit het Quartier Latin, dat de Sorbonne heropend wordt en dat de opgesloten studenten zullen worden vrijgelaten.
Dezelfde dag roepen alle syndicale centrales, ook de CGT (die tot dan toe de ‘ultra-linkse’ studenten onophoudelijk had aangevallen) en de politievakbonden, op tot een staking en tot betogingen op 13 mei, om te protesteren tegen de repressie en het regeringsbeleid.
Op 13 mei beleven alle steden van het land de belangrijkste betogingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. De arbeidersklasse is massaal aanwezig aan de zijde van de studenten. Een ordewoord dat succes heeft is: “Tien jaar, dat is genoeg!”, verwijzend naar de 13e mei 1958 toen De Gaulle terug aan de macht kwam. Aan het einde van de betogingen worden bijna alle universiteiten bezet, niet alleen door studenten, maar ook door veel jonge arbeiders. Overal wordt vrijuit gesproken. De discussies beperken zich niet tot universitaire kwesties, of de repressie. Ze beginnen te raken aan alle sociale problemen: de arbeidsvoorwaarden, de uitbuiting, de toekomst van de maatschappij.
Op 14 mei gaan de discussies verder in een hele hoop bedrijven. Na de reusachtige betogingen van de vorige dag, met het enthousiasme en het gevoel van kracht dat eruit voortvloeit, is het niet gemakkelijk weer aan ’t werk te gaan alsof er niets gebeurd is. In Nantes ontketenen de arbeiders van Sud-Aviation, aangespoord door de jongsten onder hen, een spontane staking en beslissen ze de fabriek te bezetten. De arbeidersklasse begint de fakkel over te nemen …

Discussiegroep VUB

MEI ‘68

Wat voor beweging was die van mei ‘68?
Wat kunnen we ervan leren?

DISCUSSIE

Donderdag 15 mei
19u30 u

café multatuli

lange vlierstraat 9,
2000 antwerpen

IEDEREEN IS WELKOM
IEDEREEN MAG MEE DISCUSSIËREN

Inleiding

In 1965 schreef Wilfried Van Cauwelaert in de krant Het Volk: “De student is voor niets meer warm te krijgen, tenzij voor dansavonden, kroeglopen en elektrische trekbiljart. Zij worden een troep van deftige burgermannetjes, kruideniertjes die slechts één doel hebben: diploma halen, bemiddeld vrouwtje trouwen, een paar kindjes kopen en wegzakken in een gestileerd salon.” Drie jaar later bleef er weinig van deze stelling over.

De meeste jongeren vandaag kennen mei ’68 aan de hand van iconen als brandende barricades te Parijs, chargerende oproerpolitie, revolterende studenten, gigantische stakingen, gedichten van Baudelaire, citaten van Sartre, indrukwekkende slogans en posters op de muren, protestliedjes, misschien zelfs “Leuven Vlaams!”, president De Gaulle, de Praagse lente, hippies, sex, drugs, rock’n’roll en noem maar op. Zijn deze beelden terecht of onterecht verbonden met de beweging van mei ’68? Het is zeker dat mei ’68 een woelig tijdperk was van internationaal protest, betogingen, stakingen en studentenstrijd. Wat karakteriseert en maakt mei ’68 nu net tot een referentie? Wat voor beweging was zij?

Wat gebeurde er in mei ’68?

De aanloop naar mei ’68 start op 22 maart 1968 wanneer studenten de faculteit van Nanterre bezetten te Parijs. Aanleiding is de arrestatie van een extreemlinkse jongere die verdacht wordt van deelname aan vernielingen tijdens een anti-Vietnambetoging. Meetings en bezettingen door studenten volgen. Verschillende sluitingen en heropeningen van de faculteit zijn het antwoord van de universiteitsleiding. Ook komt het steeds vaker tot gevechten tussen de uiterst-linkse en fascistische groepen. De studenten van Nanterre houden op 2 mei een meeting in de Sorbonne, een andere universiteit in Parijs, om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van medestudenten. De regering besluit een einde te maken aan de onrust en de politie bezet de studentenbuurt, omsingelt de Sorbonne, en arresteren de jongens. Zware, urenlange rellen volgen tussen CRS (oproerpolitie) en honderden jongeren die zich verzamelden aan de Sorbonne. Dit zijn de eerste gebeurtenissen die uitmonden tot een aanzwellend protest, niet enkel door studenten, maar ook door scholieren, leraren, arbeiders, werklozen… De volgende dagen gaan de rellen door en groeit de sympathie voor de studenten tegen het gewelddadig optreden van de CRS. De verontwaardiging is enorm en spontane optochten van honderdduizenden betogers van scholieren, studenten, jonge arbeiders, ouders e.a. vinden plaats. Uiteindelijk roepen de vakbonden op om in staking te gaan uit protest tegen de repressie. Nochtans veroordeelde de CGT, Confédération Générale du Travail, de grootste vakbond in Frankrijk, eerder de ultra-linkse studenten als uitschot, net als de PCF (Parti Communiste de France) hen uitschold voor agitatoren, rijkeluiszoontjes, salonsocialisten, bourgeoisrebellen… Op 13 mei vinden de grootste betogingen sinds WO II plaats. Universiteiten worden omgevormd tot discussieplaatsen waar niet enkel over de studentenrepressie, maar ook over levensomstandigheden, werkvoorwaarden, etc. wordt gedebatteerd. De discussies vinden verder plaats in de bedrijven en in enkele dagen tijd groeit de beweging uit tot een staking van onbepaalde duur van 9 miljoen arbeiders te Frankrijk. De kracht en omvang van de beweging is verrassend en geeft de mogelijkheid om de gehele maatschappij in vraag te stellen.

Mei ’68 wereldwijd

Al snel volgden op de gebeurtenissen in Frankrijk gelijkaardige stakingen, betogingen en protestbewegingen in andere landen wereldwijd. Bijv. de “hete herfst” in Italië, de “Praagse lente”, Nederland, België, Duitsland, VK, VS, Mexico…

Welke maatschappelijke, drijvende krachten?

Wat zijn de omstandigheden die maken dat dit kon gebeuren? Want een revolte, protest of staking gebeurt niet “spontaan”, er is een voedingsbodem voor nodig, de maatschappelijke voorwaarden moeten aanwezig zijn. De vraag is des te belangrijker, aangezien het kapitalisme een periode van sterke groei kende en de crisis nog niet openlijk was uitgebarsten in Frankrijk.

Studentenbeweging/arbeidersbeweging?

We vernemen via verschillende media dat mei ’68 vooral een beweging was van de studenten. Zo had je specifieke studenteneisen, voor de democratisering van het onderwijs, voor een Vlaamse Leuvense universiteit etc. Daarnaast was er een sterk protest van jongeren tegen de oorlog in Vietnam, niet alleen in de VS, maar ook in West-Europese landen. Dit was niet nieuw voor ’68 en al vanaf 1964 vonden studentenrevoltes plaats tegen de oorlog, tegen de autoriteiten en tegen de traditionele moraal, bijv. de “Free Speech Movement” aan de universiteit van Berkeley. In Duitsland had je Der Sozialistische Deutsche Studentenbund (Socialist German Student Union (Rudi Dutschke)) dat vóór mei ’68 de meest radicale studentenprotesten vertegenwoordigde.

Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60? In hoeverre hebben de studentenbewegingen en de gebeurtenissen van mei ’68 met elkaar iets te maken en elkaar beïnvloedt? Was mei ’68 een revolutie tegen “de autoriteit” en haar moraal? Was mei ’68 een sexuele revolutie? Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict? Waarom draaiden de protesten, zoals die aan Berkeley in ’64 en ’65 niet uit tot een beweging als in Frankrijk 1968? Waarom kwamen de studentenprotesten tot een einde? Waarom kwam de staking tot een einde?

1968-2008?

40 jaar later heeft 1968 een mythische bijklank gekregen. De jaren 1960’worden door vele mensen gezien als een periode van hoop; een fantastische tijd om in te leven. Er heeft echter geen wereldrevolutie plaatsgevonden. 40 jaar later zijn er nog steeds de problemen waartegen studenten en arbeiders in ’68 protesteerden: imperialistische oorlogen, toenemende ongelijkheid, ongelijk onderwijs, vervreemding. Bovendien beleeft de wereldeconomie anno 2008 een zoveelste crisis en toont de klimaatopwarming het finale failliet aan van de wereld zoals we ze kennen. We willen hier iets aan doen, maar hoe? De ervaringen die zijn opgedaan in mei ’68 kunnen ons hierbij helpen.

Zijn de studenten van toen brave burgermannen geworden? Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag? Waarom bestaat er vandaag geen beweging tegen de oorlog in Irak net als er één was tegen Vietnam? Wat is het verschil met de studentenprotesten van het mythische 1968 met studenten/scholierenrevoltes die we recent in België, Nederland en Frankrijk zagen? Is een “mei 2008” mogelijk?

Y & Y






Religie (april 2008)

2 02 2009

Religie – opium van het volk?
Religie speelt een belangrijke rol in veel hedendaagse thema’s: het atheïsme in de filosofie, het creationisme in de biologie, een groeiend ‘fundamentalisme’ in verschillende geloven, werelddelen die bestempeld worden als het ‘as van het kwaad’ en de film Fitna.

Maar, wat is religie eigenlijk? Waarom geloven we in hogere entiteiten? Bepaalt de maatschappij de religie of omgekeerd? Is religie de oorzaak van oorlogen?

Discussie op woensdag 23 april 19u00
Lokaal D107 (ingang tussen gebouw Q en gebouw D)
VUB Pleinlaan 2, 1050 Elsene

Iedereen is welkom en mag mee discussiëren. In bijlage is de inleiding van de discussie. Deze discussie wordt georganiseerd door de discussiegroep VUB en in samenwerking met de Moeial.

De plaats van religie in onze hedendaagse maatschappij

De godsdienst is weer volledig terug, maar misschien is ze ook nooit weggeweest. Ze bloeit en past zich aan de silhouetten van de maatschappij perfect aan, of zijn er toch kreukels in de Stof op te merken? Bepaalde films, artikels en maatschappelijk-politieke reacties hebben de vragenmolen aan het draaien gebracht waardoor probleemstellingen als ‘wat is religie, wat is ze vandaag, wat betekent ze op sociaal-politiek vlak en tot wat zou ze eventueel kunnen uitgroeien?’ weer brandend actueel zijn. Alvorens deze bevragingen aan bod te laten zou het wijzer zijn om eerst een verdiepende analyse te maken over het mogelijke ontstaan van (de verschillende vormen) van religie, de reden waarom ze nu nog steeds bestaat en de rol die ze in ons wereldbeeld speelt. Deze inleiding noch het debat hebben als doel aanstootgevend te zijn. Wel is het de bedoeling enkele van deze actuele vragen aan te kaarten en zo inzicht in deze moeilijk te doorgronden materie te krijgen.

Vanaf het ogenblik dat er sprake is van de mens, is er ook sprake van een vorm van religie. Deze vorm kan sterk afwijken van wat we nu onder de term ‘geloof’ klasseren, maar is er toch – rechtstreeks of onrechtstreeks – mee verbonden. Archeologen geloven dat de grotschilderingen van onze oer-voorouders werden gebruikt bij sjamanistische rituelen waarbij het dier waarop jacht werd gedaan ritueel werd verwond. Dit als doel om het dier in kwestie tijdens de jacht ook daadwerkelijk te kunnen doden. Men schreef deze schilderingen dus bovennatuurlijke en voorspellende krachten toe.

Bij het ontstaan van de eerste sedentaire maatschappijen evolueerde dit sjamanisme tot een vorm van geloof dat meer en meer ging lijken om de vormen die wij nu nog steeds kennen. Vele natuurverschijnselen zoals donder en bliksem maar ook vruchtbaarheid (zowel wat de landbouw als wat de voortplanting betreft), leven en dood werden verklaard aan de hand van het bestaan van een of meerdere hogere entiteiten die dit alles in handen had(den). Van dan af valt er een onderscheid te maken tussen monotheïstisch godsdiensten zoals het Christendom en de Islam en polytheïstisch religies zoals de natuurgodsdiensten en de Grieks-Romeinse godsdiensttraditie. Er is enkel sprake van een godsdienst wanneer het een monotheïstisch religie betreft. Niet elk geloof draait daarentegen rond (een) god(en). Er zijn ook religies die geen godheid kennen.

Vaak wordt het ontstaan van geloof verklaard door te beweren dat de mens – als denkend wezen – bepaalde vragen onbeantwoord zag: waarom leven we? Wat is het doel van ons bestaan? Wat is de dood en wat na de dood?,… De religie biedt daarin antwoord en schenkt vele gelovigen weer hoop in het bestaan en een houvast in een wereld die hun denkvermogen overstijgt. Men zou dus kunnen denken dat religie ontstaan is naar aanleiding van de angst van het niet-kunnen-vatten van bepaalde bestaanselementen, al kan deze bewering door sommigen wat te speculatief bevonden worden.

Wat religie nu precies inhoudt, valt moeilijk te definiëren. Het heeft betrekking tot een bepaalde manier van leven en een geloof in bepaalde voorgeschreven normen en andere religieuze elementen. Een bepaalde vorm van geloofsbelijdenis kan heel verschillend zijn van een andere, hoewel deze twee vormen onder een zelfde religieuze noemer worden geplaatst. Zo kan men als Christen al dan niet geloven in het vagevuur of al dan niet aan iconenverering doen.

Men kan stellen dat er pas sprake is van religie wanneer mensen de normen en regels die het voorschrijft opvolgen. Zonder gelovigen zou er dus geen religie (meer) zijn. Indien men daarentegen een god aanziet als Schepper van de wereld, dan is die niet afhankelijk van de mens die dan zijn eigen creatie is. Het is hier niet de bedoeling het bestaan van (een) god(en) te betwisten, maar ons af te vragen waarom geloof bestaat, wat de voor- en nadelen ervan zijn en wat de invloed van geloof is op de (niet-) gelovige met betrekking tot zichzelf, zijn omgeving en de rest van de maatschappij / wereldbevolking.

Om van een filosofie te kunnen spreken als zijnde een religie moet deze levenswijze nagevolgd worden door een groep of menigte die de voorgeschreven waarden, normen en regels die deze levenswijze voorschrijven ook daadwerkelijk gaan (trachten te) volgen. Deze voorschriften worden meestal opgesteld door een leidinggevend persoon dat deze macht toegeschreven kreeg of zichzelf toeschreef. Vaak lopen deze voorschriften dan ook parallel met de heilige geschriften van deze religie. Maar zoals dat vaak gaat met hoogstaande functies ligt ook hier het gevaar in het feit dat de macht die aan deze functie verbonden is, misbruikt kan worden. Natuurlijk is het ook mogelijk voor een buiten de religie staand (bijvoorbeeld politiek geëngageerd) machtig persoon om de religie te misbruiken. Men hoeft tegenwoordig de krant maar open te doen om hiervan voorbeelden te kunnen vinden.

Boeiend hieromtrent zou de vraag kunnen zijn naar wat de toekomst van de religie is in onze huidige maatschappij. Wat zijn de risico’s maar ook de voordelen die aan religie verbonden zijn? Wat is de invloed van een – eigen of andere – religie op de gelovige en de niet- of andersgelovige? Is een ‘multi-religieuze’ samenleving mogelijk waarbij mutueel respect een sleutelwoord is? En – en dit is misschien wel de kern van deze hele discussie – wat is nu eigenlijk geloof?

Jammer dat er geen gelovigen aanwezig waren, maar dat belette niet dat er toch discussie was.





Oorlog (maart 2008)

2 02 2009

5 jaar oorlog in Irak, 7 jaar oorlog in Afghanistan, chaos in het Midden-Oosten…

Waarom deze oorlogen? Hoe er een einde aan maken?

Op 26 maart vond een debat plaats te Antwerpen naar aanleiding van de 5 jaar oorlog in Irak. Iedereen was welkom om mee te discussiëren en visies te delen omtrent de oorzaken van de oorlogen die de wereld maar niet lijken te verlaten. De bedoeling was een vrije discussie te houden, waar oprecht wordt gezocht naar antwoorden.

Inleiding tot het debat

Naar aanleiding van de 5 jaar oorlog in Irak houden we vandaag een discussieavond over de oorlogen die deze wereld teisteren en waar geen eind aan lijkt te komen. In de eerste plaats denken we aan de oorlog in Irak, maar ook die in Afghanistan, Israël-Palestina, Sudan, Tsjaad, Congo, Somalië, Kenya, Tsjetsjenië en onlangs nog de spanningen tussen Venezuela, Ecuador en Colombia. Voor de discussie van vanavond vertrekken we van de situatie in Irak, maar het is niet uitgesloten dat die andere ook aan bod komen. We kunnen ons bijv. de vraag stellen of er een verband bestaat tussen deze oorlogen en of er een gemeenschappelijke voedingsbodem voor deze oorlogen is.

Ik begin met een kleine schets van de toestand vandaag in Irak, om toch maar niet te vergeten wat deze oorlog concreet is: 94.000 doden, 4,4 miljoen vluchtelingen, 3000 miljard $ aan militaire kosten, vernieling van elektriciteit- en watervoorzieningen, rampzalige gezondheidszorg, ‘elke dag’ wel een aanslag (bijv. midden maart blies een vrouw zich op en maakte tientallen doden en gewonden), elke buurt in Bagdad weerspiegelt de militie waardoor ze wordt gecontroleerd, corruptie alom (bijv. verkopers moeten Iraakse legerposten omkopen als ze hun goederen aanvoeren “We zijn er slechter aan toe dan de mensen in Gaza – als ze me niet doorlaten daar, moet ik het hele gebied rond om een andere controlepost te bereiken. 99 procent kans dat ik dan dood ben.”)

T.o.v. deze feiten is de eerste vraag van de meeste mensen hoe deze waanzin te stoppen. Om dit te weten dienen we een andere vraag te stellen: ‘waarom deze oorlog?’ Ik stel voor van deze 2 hoofdvragen – ‘waarom deze oorlog?’ en ‘hoe de oorlog stoppen?’ – te vertrekken om de discussie op gang te brengen.

Een oorlog door persoonlijkheden?

Hoe is zo’n oorlog mogelijk, niemand wil zoiets toch? Toch beweren velen dat de oorlogen in Irak en Afghanistan door enkele mannen van “slechte” wil worden gevoerd: Bush, Donald Rumsfeld, Blair… of Osama Bin Laden, Saddam Hoessein, Moqtada El Sadr… Maar worden oorlogen wel gemaakt door individuen? Maken enkele personen de geschiedenis? Kan meneer Bush de koers van de machtigste staat in de wereld op zijn eentje bepalen? Is hij de leider of is hij de vertegenwoordiger van de VS haar politiek? En brengt de maatschappij waarin we leven, het kapitalisme, niet de leiders voort die ze nodig heeft?

Een oorlog door slecht beleid?

Als het dan geen kwestie is van persoonlijkheden, is het dan misschien een kwestie van slecht beleid? Hebben de leiders ‘verkeerde’ beslissingen genomen? Of was de oorlog een goede zaak, maar werd ze verkeerd gevoerd? Dat is althans wat vele politiekers en media ons opdringen. Maar waarom oorlog voeren?

Een preventieve oorlog?

5 jaar geleden argumenteerde de VS samen met het VK dat Irak massavernietigingswapens bezat. Sinds wanneer steekt een staat miljarden in een oorlog enkel om een land te ontwapenen? Wie vindt de rationaliteit achter ‘een oorlog om de vrede te bewaren’ ? (“War is peace, freedom is slavery, ignorance is strength”, de leuze van de totalitaire staat uit George Orwels’ boek 1984) Na 5 jaar is het al voldoende bewezen dat dit argument hol is en niet de ware beweegreden was van de oorlog.

Welke drijvende krachten?

Wordt de geschiedenis, en dus ook oorlogen, gestuwd door persoonlijkheden, door mensen van slechte wil, een toevallig ‘slecht bestuur’ of een willekeurige goesting om een oorlog te starten? Ik denk van niet. De vragen die ik me stel zijn: Welke maatschappelijke krachten maken dat deze oorlog(en) moet(en) worden gevoerd? Wat zijn de drijfveren die de heersende klasse stuwen tot oorlog voeren? (Want zelfs de bourgeoisie wil vrede, maar wegens haar natuur als verdediger van het kapitalisme kan ze niet anders dan hypocriet zijn en de oorlog blijven mennen.) Wat is de voedingsbodem van deze oorlog(en)? Waar liggen de wortels van de oorlog? Dit zijn denk ik de essentiële vragen die ons leiden naar een antwoord gestoeld op materiële argumenten.

Een imperialistische oorlog?

Volgens de antiglobalisten, altermondialisten of vele linkse organisaties zou de oorlog gevoerd worden om de olie in Irak, voor verdere verkoop of voor eigen gebruik. Hetzelfde argument geldt trouwens voor sommige oorlogen in Afrika: multinationals en/of grootmachten zouden oorlogen steunen om de grondstoffen. Maar ik kan me moeilijk inbeelden dat een oorlog waarin 3000 miljard $ in gepompt is, wordt gevoerd om de onmiddellijke winst of het eigen gebruik. Daarenboven heeft de VS zelf verschillende olievelden en heeft ze voldoende akkoorden met Midden- en Zuid-Amerikaanse landen om zich van petroleum te voorzien. Een ander argument is dat de VS en andere landen Irak binnenvielen, niet om de olie zelf, maar om de controle over de olie en de regio. Werd de oorlog gevoerd om de invloedssfeer van ieder land te vergroten? Maar invloed over wat en waarom? Invloed over een economie die er amper is? Een afzetmarkt zijn de bezette landen ook zeker niet. Zijn het dan militaire, strategische belangen die de oorlog bepalen? Maar is het kapitalisme niet in de eerste plaats een productiewijze gericht op economisch profijt? Waarom dan Irak aanvallen? Welke belangen wegen er door: economische of strategische?

Hoe de oorlog stoppen?

“Hoe de oorlog stoppen?” is misschien de meest gestelde of in ieder geval de meest prangende vraag. Tienduizenden protesteerden recent te Londen tegen de oorlog, tienduizenden protesteerden in de VS. Ook in andere landen kwamen mensen op straat. Toch houden zij en de miljoenen betogers van de afgelopen jaren de oorlog niet tegen. Hoe komt dit? Kan de oorlog wel gestopt worden zonder vernietiging van het kapitalistisch systeem? Draagt het kapitalisme de oorlog niet in zich? Wie kan de oorlog tegenhouden en hoe? We kunnen enkele historische voorbeelden aanhalen om te begrijpen wie en wat een oorlog wel en niet kan stoppen:

aan de vooravond van WO I en WO II werden eveneens pacifistische betogingen georganiseerd en toch braken beide oorlogen uit.

WO I werd niet uitgevochten tot het bittere einde, zoals WO II, maar kwam tot stilstand. Er was massale desertie en verbroedering tussen soldaten van beide kampen, zowel aan het Oostfront als aan het Westfront. De Russische Revolutie brak uit in 1917 en in 1918 braken er stakingsgolven uit in Duitsland. Bestaat er tussen deze gebeurtenissen een verband? Ik geloof van wel.

De oorlog in Vietnam werd gestopt, wegens enerzijds gewijzigde allianties tussen de VS, China en de Sovjet-Unie, maar anderzijds door een druk vanuit het Amerikaanse leger zelf, waar duizenden GI’s zich organiseerden tegen de oorlog en vanuit de VS, waar arbeiders in staking gingen tegen de oorlog. We kunnen ons afvragen in hoeverre het laatste het eerste bepaalde, maar dat zou ons misschien te ver brengen.

Moeten we kamp kiezen in deze oorlog(en)? Moeten we kiezen tussen terroristen, Iraakse nationalisten en imperialisten? Of zijn ze allen even imperialistisch? Ikzelf weiger te kiezen en denk dat geen enkel nationalisme, of het nu Iraaks, Amerikaans, Turks of Koerdisch is, nog iets te bieden heeft buiten nog meer oorlog, nog meer bloedvergieten. Enkel het tegenovergestelde, het internationalisme, biedt volgens mij een uitweg.

De discussie zelf

Tijdens de discussie bleken er meningverschillen te zijn over een aantal punten. Zo bleef de vraag open of economische of strategische beweegredenen doorwogen om de oorlog te voeren. Was de oorspronkelijke bedoeling van de oorlogvoerende landen om olie te winnen en is dit uitgemond in een rampzalige mislukking? Maar wat met Afghanistan, waarvan we weten dat er economisch, buiten opium, niets te winnen valt? Strategische belangen nemen hier de overhand. Of was dit enkel een “oefenterrein” voor Irak? Is Irak dan ook een voorbereiding op een volgende oorlog?

Ook de manier om een oorlog te stoppen werd bediscussieerd. Is af en toe een ‘actiedag’ genoeg om druk te zetten op staten en hun politiek te wijzigen? Door zulke eenmalige acties zonder enigszins diepgaande overdenking wordt de oorlog en de maatschappij zelf die ze voortbrengt niet echt in vraag gesteld. Is het pacifisme daarbij zo onschuldig als ze lijkt?

De aanwezigen hebben tezamen op een dynamische wijze door uitwisseling van argumenten vraagstukken verhelderd. Maar nieuwe vragen dringen zich op. Het debat is duidelijk een deel van een ophelderingsproces. Een ongedwongen gevoel en een werkelijke zoektocht naar antwoorden zorgden voor een aangename discussiesfeer.

Y.

Cijfers en citaten

De Standaard, 19 maart 2008

http://archive.intal.be/nl/article.php?articleId=267&menuId=1

http://www.nrc.nl/buitenland/article976972.ece/Internationale_Rode_Kruis_Irak_humanitair_drama

http://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/htmlall/iraq?OpenDocument

http://www.indymedia.be/fr/node/26620





Plan VDB (december 2007)

2 02 2009

Volgende oproep stuurde ik in december 2007 rond. Na de oproep volgt een verslag van een discussie in Brussel.

WIE MANIFESTEERT MEE?

Wie wil donderdag 6/12 mee betogen in Brussel om 13h30 aan het Station Brussel Noord met de studenten tegen het ‘plan Vandenbroucke’?

Waarom betogen?

Ik kreeg een tijd geleden een mail van de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS). Hieronder vind je een deel van dat bericht. Ik ben het niet eens over alle punten, maar het schetst wel kort een paar maatregelen die het ministerie wil doorvoeren.

“Minister Vandenbroucke heeft een financieringsplan klaar. En wat voor één! Vanaf 1 januari worden universiteiten en hogescholen gefinancierd op uitgereikte diploma’s en bepaalde creditbewijzen. Kansengroepen die moeilijker doorstromen worden financieel minder aantrekkelijk om in te investeren. Bovendien bestaat het gevaar dat er kwistig diploma’s uitgedeeld zullen worden.
Bijna de helft van het universiteitsbudget wordt verdeeld op basis van onderzoeksprestaties, wat de aandacht van de proffen voor onderwijs nog zal verslappen. De overheid wil ook maar een handvol manama’s en banaba’s financieren. Voor de rest moet je 5.600 tot 25.000 euro ophoesten! Het studiegeld verdubbelt voor wie niet snel genoeg afstudeert. Dat is uiteraard een probleem voor trager doorstromende groepen zoals allochtonen, chronische zieken, studenten met laaggeschoolde ouders, … Het aanmoedigingsfonds voor gelijke kansen werd groots aangekondigd, maar is met zijn 1% van het totale budget een druppel op de hete plaat. Maar bovenal biedt het plan VDB geen oplossing voor de grootste uitdaging: de structurele onderfinanciering van het hoger onderwijs.”

Het ‘plan Vandenbroucke’ zal enkel voor nog minder kansen op de arbeidsmarkt zorgen en studeren nog duurder maken. Misschien zullen wij, de huidige studenten, de gevolgen niet meteen voelen, maar wat met de studenten van morgen?

De studies die duurder worden liggen in lijn met allerlei stijgende prijzen. Zo stijgen de prijzen van basisproducten (graan, eieren, melk…) en energieproducten en neemt de inflatie toe. Waarom is men verbaasd vast stellen dat de armoede blijft als petroleumprijzen niet eens worden verrekend in de loonindex?

De strijd tegen het ‘plan Vandenbroucke’ maakt denk ik deel uit van een breder, internationaal protest tegen een algemene dalende koopkracht en stijgende werkdruk: midden november gingen in Duitsland de spoorwegarbeiders in staking; vorige week betoogden en staakten in Frankrijk het personeel van de spoorwegen, gas- en elektriciteitsmaatschappijen, het openbaar vervoer en studenten samen tegen allerlei plannen van de regering (o.a. een wet die ‘kwaliteitsscholen’ en ‘vuilnisbakscholen’ zou doorvoeren, voor respectievelijk rijke studenten en ‘de rest’); in Nederland betogen de scholieren tegen een te hoge werkdruk; laatste vrijdag kwamen meer dan 800 personeelsleden van Stad Antwerpen bijeen naar aanleiding van besparingsplannen gericht tegen de 10 000 à 20 000 werknemers (afhankelijk van de bron) van Stad Antwerpen en het OCMW; 15/12 is er een nationale betoging te Brussel tegen de dalende koopkracht.

Is het een toeval dat al dit protest gelijktijdig plaatsvindt? Ik denk van niet. De armoede blijft, de toekomst is onzeker en de ruimte voor een sociaal leven neemt af.

Waarom de betoging van donderdag niet breder zien, als een onderdeel van deze protestgolf tegen een onzekere toekomst? Waarom geen spandoek maken met een slogan die voor iedereen kan gelden en niet enkel voor de studenten? Iets als “Nee aan de bestaansonzekerheid! Allen tezamen tegen armoede! Voor een zekere toekomst!” (iets anders kan ook natuurlijk). Wie wil mee om steun vragen aan vrienden, ouders, familie, kennissen, collega’s en beargumenteren dat onze zaak ook de hunne is, en vice versa?


SAMEN STERK!


Verdeel en heers
Discussie over de studentenbetoging van 6 december

Op 19 december 2007 werd een discussie georganiseerd in samenwerking met [het studentblad] de Moeial met als thema ‘studentenbetogingen’. Deze discussie werd gehouden naar aanleiding van de betoging van 6 december 2007 tegen het plan Vandenbroucke. Dit is een artikel dat probeert een schets te geven van de meningen die werden geuit.

We zijn niet alleen
De studentenbetoging van 6 december is geen geïsoleerde gebeurtenis: terwijl dat de Franse studenten betoogden tegen de onzekerheid van hun toekomst in 2006 (het decreet Contract Première Embauche – Startbaancontract – CPE), protesteerden de Griekse studenten maandenlang tegen soortgelijke maatregelen. De Franse studenten slaagden erin om het decreet CPE geheel terug te fluiten. Vandaag betogen ze opnieuw tegen een ander decreet: de vorming van elite- en ‘prullenbak’-universiteiten. Ook in Nederland demonstreren scholieren tegen de verslechtering van de kwaliteit van hun onderwijs.
De bezuinigingen van de Vlaamse regering vinden niet enkel plaats bij de studenten, ook de arbeiders bij openbare diensten en bedrijven zien hun levensstandaard zienderogen dalen. Aan Waalse kant is het onderwijs in een nog slechtere staat dan aan de Vlaamse kant. Het is duidelijk dat de bezuinigingen van het plan Vandenbroucke behoren tot een globaal probleem. Maar wat staat er eigenlijk in het plan Vandenbroucke?

Het decreet
Het decreet is een labyrinth van achterpoortjes verspreid over negenhonderd bladzijden; het is onmogelijk om een balans op te stellen van de werkelijke gevolgen van dit decreet. Enkel de specialisten bij het ministerie van Onderwijs weten op kwantitatief niveau dat het gaat om een bezuiniging. Voor ons is het koffiedik kijken.
Toch kan men algemene conclusies trekken: de instellingen worden niet meer gefinancierd op basis van het aantal studenten (‘input’ financiering), maar op basis van de resultaten (‘output’ financiering). De gevolgen hiervan voorspellen is moeilijk, maar men kan een vergrote rivaliteit tussen departementen verwachten. De druk op het personeel en de onzekerheid kan groeien. Op de website van de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) staat het volgende:

De minister wil binnenkort hogescholen en universiteiten gaan financieren op basis van behaalde studiepunten en diploma’s. Dat zet de onderwijskwaliteit onder druk en maakt de minder goed doorstromende kansengroepen financieel minder aantrekkelijk. De manifestanten eisen daarom dat àlle doelgroepen worden erkend en structureel extra middelen krijgen: ook studenten van allochtone origine, studenten met laaggeschoolde ouders en studenten uit een TSO/BSO vooropleiding. Het aanmoedigingsfonds voor gelijke kansen is met 1% van het budget een druppel op een hete plaat. Het niet financieren van gedelibereerde studiepunten zet instellingen aan tot nultolerantie waarbij geen enkel buispunt nog door de vingers wordt gezien. Vandenbroucke wil nog slechts een handvol aanvullende opleidingen financieren. Het inschrijvingsgeld voor de andere manama’s zal stijgen tot 5400 euro of zelfs 25000 euro, zonder enige sociale correctie voor beursstudenten of werklozen. Ook wie niet snel genoeg afstudeert, komt in de problemen. Hij verliest zijn recht op inschrijving en betaalt het dubbele als hij toch nog ingeschreven geraakt .Verder is het nieuwe financieringsdecreet een grote bedreiging voor de onderwijskwaliteit. Bijna de helft van de basisfinanciering zal gebaseerd worden op onderzoeksresultaten. Daardoor gaan proffen nog meer belang hechten aan publiceren en dit ten koste van hun onderwijstaken. Tenslotte blijft het probleem onopgelost van de structurele onderfinanciering van het hoger onderwijs in het algemeen, de hogescholen in het bijzonder. De kunstopleidingen en humane wetenschappen worden zelfs in hun voorbestaan bedreigd.

Verder wordt de verdeling en concurrentie tussen studenten vergroot door verschillende ‘gewichten’ toe te kennen. Ook worden studenten in de ‘inhumane’ wetenschappen (bijvoorbeeld wetenschappers of ingenieurs) anders behandeld. Studenten worden in een vakje geïsoleerd: op basis van de studierichting, op basis van de sociale achtergrond (allochtoon of autochtoon, diploma en inkomst van de ouders), op basis van de resultaten (geslaagd in het eerste jaar en de graden), op basis van de universiteit, taal en regio.
De Vlaamse regering wil dat haar universiteiten op internationale ranglijsten hoger aangeschreven staan en dat ze op internationaal vlak mee kunnen concurreren. In Frankrijk tracht de regering momenteel een gelijkaardig plan door te voeren: de vorming van enkele elite universiteiten met alle middelen en de ‘prullebak’ universiteiten. Er worden dan selectieronden georganiseerd zodat enkel de briljante scholieren kunnen genieten van degelijk onderwijs. Deze selectieronden zijn zwaar en de inschrijvingskosten zijn hoog. De parallellen tussen de Franse en Belgische situatie zijn duidelijk: in Vlaanderen wilt men enkel de meer performante universiteiten en studenten financieren.
In Nederland geldt al lang dit scenario bij het secundair onderwijs: er is een tekort aan leerkrachten omwille van het lage loon; sommige scholen hebben al jaren geen wiskunde leraar meer. De scholieren willen zinvolle lessen en daarvoor zijn meer leerkrachten nodig, niet meer lessen.
Er is niets ‘democratisch’ aan het onderwijs zoals het nu bestaat: mensen met meer geld kunnen van een betere secundaire school afstuderen en verder studeren. Studenten van een minder gelukkige sociale achtergrond hebben minder kansen. Nu wordt het ‘democratisch’ gehalte nog vermindert: het volstaat niet meer om over motivatie en redelijke sociale omstandigheden te beschikken, men moet ook nog geld hebben. Zoals in Frankrijk en Nederland stijgt in België de inschrijvingskost (in Frankrijk bedraagt deze al duizenden euro’s en in België wordt dezelfde stijging verwacht).
Op de betoging wisten weinig mensen wat er in het plan Vandenbroucke staat. Dit is niet verwonderlijk: de media geven een verwarrend beeld van het decreet en er werden geen discussies of informatiesessies georganiseerd opdat we bewust zouden worden van het probleem. Toch bleken veel mensen op de betoging ongerust over dit decreet.

Bewustzijn en betogen

Zodra de mogelijke gevolgen van dit decreet duidelijk worden, lijkt de betoging van 6 december angstwekkend ‘slap’. Maar hoe komt dit? Het is duidelijk dat het moeilijk is om zo’n gecompliceerd decreet alleen te vatten; tijdens een discussie is het gemakkelijker om inzicht te verwerven en zich een coherent beeld te vormen. Dan worden meningen uitgewisseld en het bewustzijn gevormd; de discussie tussen mensen is de eerste stap. Het is echter tijdens een betoging dat we beseffen hoeveel mensen dezelfde mening delen. Dat is een enorme aanmoediging, het versterkt en bevestigt de meningen. Het wordt dan ook duidelijk dat we niet betogen voor onszelf: er zijn sommige betogers die voordeel zullen halen uit dit decreet, maar misschien niet hun medebetoger, broer, zus, collega, vriend of toekomstig kind.
Het is ook een gelegenheid om met elkaar in contact te komen, meningen uit te wisselen en algemene vergaderingen te organiseren waar het verdere verloop van de beweging kan besproken worden. Een beweging eindigt niet bij een betoging, ze gaat verder. De betoging van 6 december was gekaderd, ze begon en eindigde op dezelfde dag.

Sabotage en chantage
Waarom werden er geen discussies of informatiesessies georganiseerd? Waarom werd de betoging zo laat gehouden? Waarom werd er bier uitgedeeld en waren we verdeeld? Tijdens de discussie werd het duidelijk dat de vakbonden en de regering een constructieve en massale demonstratie hadden gesaboteerd:

– In Gent werd op 29 november een betoging georganiseerd door het COC (Christelijke Onderwijscentrale), VSOA (Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt) en VVS (Vlaamse Vereniging van Studenten) waar 4000 studenten en personeelsleden (volgens De Morgen maar 2000) aan deelnamen. Alle studenten en personeelsleden worden vroeg of laat het slachtoffer van dit decreet, waarom wordt er dan een afzonderlijke betoging gehouden voor de algemene betoging? De verdeling tussen studenten wordt hierdoor enkel versterkt en het verminderd het aantal mensen dat tezamen betoogd.
– De VVS wilde de betoging vroeger organiseren, maar er moesten nog enkele details besproken worden tussen de vakbonden en Vandenbroucke waardoor de datum van de betoging steeds later kwam. Wat deze ‘enkele details’ mogen zijn is niet duidelijk. In ieder geval is het opschuiven van de datum een slechte zaak voor de betogers: de examens naderen, het weer wordt slechter en er blijft steeds minder tijd over om na de betoging nog samen te komen. De organisatie van de betoging heeft met andere woorden de datum niet zelf gekozen, maar laten afhangen van de minister.
– Ook de plaats van de betoging (Brussel-Noord en het ministerie van Onderwijs) belemmert een massale opkomst en de discussie. Terwijl we buiten in de regen stonden hadden we ook in aula’s kunnen discussiëren en steun kunnen vragen aan andere studenten en personeelsleden. We hadden naar andere universiteiten kunnen gaan om de banden tussen elkaar te versterken. Voor en achter de betogers werden de straten afgezet door de politie, zo wordt elk contact met de buitenwereld verhindert.
– De hogescholen hebben niet opgeroepen tot betogen omdat Vandenbroucke hen een week voor de betoging 7 miljoen euro beloofde (de voorwaarde was dat ze niet zouden meebetogen). Na jarenlange onderfinanciering van de hogescholen is een éénmalig aanbod van 7 miljoen hallucinerend weinig en toont het dat de regering openlijk chantage gebruikt.
– Het uitdelen van bier, fluitjes, toeters, de spectaculaire speeches (waaronder een speech gegeven door iemand verkleed als sinterklaas) en het spelen van luide muziek bevorderen op geen enkele wijze de discussie tussen de mensen. De betoging leek meer op een St-Vé dan een unieke gelegenheid voor uitwisseling van meningen of perspectieven. Het omvormen van een betoging tot een circus van ‘politieke’ kleuren en slogans is typisch voor vakbondsbetogingen. De gevolgen van dit decreet zijn ernstig, waarom is de betoging dat niet?
– De socialistische vakbond ACOD riep officieel niet op tot betogen aangezien de minister van Onderwijs Vandenbroucke zelf een ‘socialist’ is. Welke belangen verdedigen de vakbonden eigenlijk, die van de regering of die van de studenten?
– Alle studenten en personeelsleden zijn het slachtoffer van dit decreet, waarom lopen we dan in verschillende kleuren (rood, groen of blauw)? Wie geeft er gratis vuilniszakken en petjes weg? De hele aanloop naar de betoging wordt gekenmerkt door een verdeel en heers techniek, elke verdeling is in ons nadeel. De studentenraad van de Associatie K.U.Leuven (StAL) heeft niet opgeroepen tot betogen omdat deze universiteit voordeel zou kunnen halen uit het decreet. Niet alleen is dit een teken egoïsme, maar ook van naïviteit: over enkele jaren zal Vandenbroucke een plan voorstellen dat de ongelijkheid tussen de Leuvense universiteit en de andere ‘rechttrekt’. Zo kan de minister eerst de kleinere universiteiten aanpakken en dan de grotere.
– De ACV, ABVV en ACLVB (respectievelijk de christelijke, socialistische en liberale vakbond) hebben op 15 december een nationale betoging georganiseerd voor solidariteit en tegen dalende koopkracht. Het plan Vandenbroucke verbreekt de solidariteit tussen studenten door ze met verschillende gewichten te behandelen en de prijs van het onderwijs stijgt. Waarom werd de studentebetoging dan niet samen gehouden met deze betoging ondanks de overeenkomsten?

Hieruit kunnen we enkel concluderen dat de vakbonden en de regering verraderlijke partners zijn. Twee jaar geleden betoogden studenten ook tegen dit plan, er is ondertussen weinig veranderd. Wordt het niet tijd dat we anders betogen? Een voorbeeld van een succesvolle studentenbetoging is de anti-CPE beweging in Frankrijk van 2006.

Een voorbeeld
In 2006 trachtte de Franse regering het Contract Première Embauche op te leggen; de gevolgen van dit nieuw contract voor afgestudeerde studenten is een vermindering van het aantal anciënniteitsjaren (de eerste jaren die men werkt tellen niet mee bij de berekening van het loon). De studenten organiseerden algemene vergaderingen in de aula’s waar de maatregelen werden uitgelegd en er gediscussieerd werd over de acties. Deze vergaderingen werden in alle universiteiten gehouden en tussen de universiteiten waren er contacten om gezamelijk actie te voeren. De vergaderingen gaven de studenten de mogelijkheid om zelf te beslissen hoe ze actie wouden voeren en andere studenten bij de beweging te betrekken.
Al gauw werd het de Franse studenten ook duidelijk dat een succesvolle betoging enkel mogelijk was indien ze steun kregen van de hele bevolking. De studenten gingen daarom naar bedrijven en openbare diensten om hun problemen uit te leggen en steun te vragen. De arbeiders begrepen heel goed dat deze studenten toekomstige arbeiders waren en dat ze de belangen van hun kinderen ook verdedigden. Daarom besloten veel arbeiders om met de studenten mee te betogen.
Een massale opkomst met studenten en arbeiders die bewust zijn van de precaire toekomst (betogingen op 18 maart, 24 maart en 4 april 2006 met gemiddeld 700.000 betogers) bleek de Franse regering zodanig af te schrikken dat het gehele CPE decreet werd ingetrokken. De angst bij de regeringen was echter ook op internationaal vlak doorgedrongen: in Duitsland had de regering dezelfde wetten willen doorvoeren, maar de reactie in Frankrijk was een waarschuwing. De Duitse CPE werd ook teruggetrokken, zonder dat er Duitse studenten hadden betoogd.

Wat nu?
Aan het einde van de discussie was er een gevoel van machteloosheid: de examens naderen, de betoging is voorbij en het decreet wordt in januari goedgekeurd door het parlement. Het is niet mogelijk om nu nog iets te organiseren. Het belangrijkste wat nu moet gebeuren is de lessen trekken uit de mislukking en ze onthouden. Enkel door terug te kijken en te leren, kunnen we vooruit gaan. De conslusies die men kan halen zijn van fundamenteel belang voor de volgende keer:

– De eerste stap is de discussie, anders kan men geen inzicht verwerven en zich een coherent beeld van de situatie vormen. Het is tijdens de discussie dat we bewust worden en de ernst van de zaak duidelijk wordt. Een algemene vergadering moet gehouden worden waar iedereen zijn mening mag uitten en beslissingen genomen worden door studenten en personeel.
– We mogen ons niet laten verdelen per studierichting, regio, afkomst of taal. Er moet gezamenlijk gediscussieerd worden en actie ondernomen worden. Elke verdeling zorgt voor een verzwakking van de krachtsverhouding. De vorige betoging is begraven door de verdeel en heers techniek.
– De organisatie moet gebeuren door de studenten en personeelsleden zelf, niet door de vakbond. Wij moeten beslissen wanneer en hoe dat we willen betogen. Daarbij mag men de acties niet inkaderen of scheiden: alle studenten (hogescholen en universiteiten), scholieren, werkenden en werklozen zijn vroeg of laat de dupe van de maatregelen. We moeten steun vragen aan alle sociale lagen en generaties. Enkel een massale, bewuste en brede betoging kan succesvol verlopen; de anti-CPE beweging in Frankrijk is het voorbeeld.

Twee jaar geleden betoogden studenten tegen het plan Vandenbroucke, net zoals toen was de betoging van 6 december geen succes. Toch is er iets veranderd: mensen zijn gekomen naar de discussie van 19 december en hebben hun ontevredenheid geuit. Samen hebben we belangrijke conclusies kunnen trekken die een basis zijn voor de volgende keer. Dit was daarvoor nog niet gebeurd.