Darwinisme en Marxisme

20 09 2009

Onderstaande inleiding werd geschreven naar aanleiding van de 3de ‘discussie- en ontmoetingsdag met de IKS’ (augustus 2009). Omdat 2009 in het teken staat van Darwin werd er gedebatteerd over het belang van zijn evolutietheorie voor de klassenstrijd doorheen de geschiedenis . Onderaan vind je een korte samenvatting van de discussie die de dag zelf door de deelnemers werd opgesteld.

Inleiding

Marx&Spencer

Over de betekenis van de evolutietheorie voor de positie van de arbeidersklasse vandaag en morgen

Darwin en de evolutietheorie

In 2009 wordt zowel Darwin’s 200-jarige als de 150e verjaardag van het verschijnen van zijn bekendste en belangrijkste werk ‘the origin of species’ herdacht. In dat boek kwam Charles Darwin, in navolging van voorgangers als Lamarck, op de proppen met het toen erg radicale idee dat diersoorten evolueren.

Wat in de ogen van vele westerlingen nu gemeengoed is, was anno 1859 een radicaal vernieuwend idee dat brak met het idee dat God alle levende wezens geschapen zou hebben en dat deze onveranderlijk zijn. 150 jaar later staan Darwin’s bevindingen nog steeds als een huis, al zijn ze nu meer gestaafd door ontdekkingen in de genetica.

Kort samengevat draait Darwin’s evolutietheorie om erfelijkheid en natuurlijke selectie. Organismen krijgen erfelijk materiaal mee van hun ouders, wat elk wezen dus veranderlijk en uniek maakt. Sommige veranderingen of mutaties in het genetisch materiaal zijn gunstig om te overleven. In een ‘strijd om het bestaan’ zullen enkel de best aan hun omgeving aangepasten overleven, de rest wordt weggeconcurreerd. Dit proces noemt men ‘Natuurlijke Selectie’ en verklaart hoe soorten veranderen en waarom ze dat doen. Dus als een mutatie een voordeel heeft, zoals een schutkleur bij vogels, dan zal deze eigenschap gaan domineren en zullen de vogels zonder schutkleur langzaam verdwijnen.

Sociaal Darwinisme

Darwin verwees in The Origin of Species af en toe nog naar God en hij sloot absoluut niet uit dat God enkele soorten op de aarde had neergepoot die dan spontaan waren beginnen evolueren. Atheïsme was in het Victoriaanse Engeland nog taboe. De Engelse burgerij leefde op min of meer goede voet met de aristocratie en de Kerk van Engeland.

In Duitsland waar Darwin’s geschriften grote furore maakte was de situatie heel erg anders. Daar werden de ideeën een instrument in handen van de nieuwe heersende klasse, de burgerij, de kapitaalbezitters, in haar klassenstrijd tegen de macht van de religie.[1] In het Darwinisme vond zij een uitstekende vrijgeleide om haar ideologie van concurrentie en individualisme te verdedigen. De grondlegger van dit ‘sociaal Darwinisme’, dat de leer van Darwin op de maatschappij toepast, was de filosoof Herbert Spencer. Hij vond dat de ‘strijd om het bestaan’ de maatschappij naar een hoger niveau tilde. De man was naast spoorwegingenieur, socioloog en redacteur bij The Economist ook notoir anti-socialist. Hij zei ooit: ‘Hoe erg ik de oorlog ook haat, ik haat het socialisme even erg, onder al zijn vormen.’ Hij zag evolutie als de evolutie van de homogene, starre maatschappij naar een heterogene maatschappij waar steeds meer differentiatie en specialisatie optreedt als gevolg van  arbeidsverdeling. Het ultieme utopia was dus een vrije kapitalistische markt met een perfecte arbeidsverdeling waar de staat slechts als nachtwaker zou optreden om mogelijke verstoring van het recht van de sterkste te vermijden. Laissez-faire was het credo en dit zou er toe leiden dat enkel de ‘sterkste’ mensen zouden overblijven. Dit zou dan uiteraard goed zijn voor de ontwikkeling van de perfecte, rationele mens. Zo ontwikkelde de maatschappij zich dus volgens Spencer, door natuurlijke selectie tussen individuen. Dit geloof is nog steeds wijdverbreid bij vele mensen. Kijk maar naar, The American Dream, die de illusie opwekt dat een man door hard werken overal kan geraken waar hij wil, of meer concreet: iedereen kan door hard werken stinkend rijk worden, dus rijkdom en ongelijkheid is gerechtvaardigd. Dit uit zich nu in het verzet van vele Amerikanen, vaak tegen de belangen van hun eigen klasse in, tegen een beperkte vorm van universele gezondheidszorg, omdat dit doelbewust ingaat tegen het geloof in de Amerikaanse droom. Zoals vaak met geloof is de realiteit anders en is de sociale mobiliteit erg beperkt in de Verenigde Staten.

Eugenetica

Het sociaal Darwinisme leidde op het einde van de 19e eeuw ook tot de ontwikkeling van de eugenetica die tot doel had het genetisch materiaal van de mens te veredelen om zo tot de perfecte, rationele mens te komen. ‘Biologisch gebrekkigen’ (onder die categorie vallen ook criminelen, prostituees, drugsverslaafden en andere sociaal onaangepasten) moesten gesteriliseerd worden opdat hun genetisch materiaal de mensheid niet zou ‘vervuilen’. Sociale problemen werden niet gezien als de verschrikkelijke uitbuiting en ongelijkheid die er heerste in die tijd in Europa, maar als de aard van bepaalde mensen. Zo berekende men dat een 83-jarige alcoholiste in totaal 894 nakomelingen zou krijgen waarvan: 67 crimineel recidivisten, 7 moordenaars, 181 prostituees, 142 bedelaars, 40 gekken, dus in totaal om en bij de 437 deviante elementen.

De nazi’s gingen uiteraard nog een stapje verder en gingen ook over tot de systematische euthanasie van asociale elementen en gehandicapten wat tot inspiratie leidde voor de Holocaust.

Deze akelige methodes roepen nu slechts onbegrip en afschuw op. Maar het sociaal Darwinisme leeft voor op een subtiele wijze. [2]

De wetenschap zal het wel oplossen

De wetenschap en vele hoge instanties verwachten erg veel van de genetica en neurobiologie, waar men ook sociale gedragingen tracht te verklaren aan de hand van neurologische processen in het lichaam. In het boek van de psychotherapeut Paul Verhaeghe ‘het einde van de psychotherapie’ toont hij aan dat de sociaal-economische realiteit een enorme invloed heeft op de aard en de omvang de van psychische problemen waar men mee worstelt. Tegelijk leeft bij vele mensen de consensus dat het allemaal biologisch-genetisch zal vastliggen. Hier speelt dan uiteraard de gezondheidsindustrie gretig op in met allerlei medicatie zoals viagra, antidepressiva om de mankementen te verhelpen. [3]

Biotechnologie als genetische manipulatie van gewassen moet het hongerprobleem in de wereld oplossen. Zo worden alle maatschappelijke problemen een technocratische kwestie die ‘de wetenschap’ wel zal oplossen, want de honger in Afrika zou te wijten zijn aan natuurrampen en het onvermogen van de Afrikanen zelf om een sterke economie op te bouwen. De rol van het grootgrondbezit, de overmatige vleesconsumptie in de geavanceerde kapitalistische samenlevingen, de monocultuur, de oneerlijke wereldhandel en een landbouwmodel dat gericht is op de meest koopkrachtige (export) vraag in plaats van op lokale behoeften, zijn allemaal vragen die niet gesteld zouden hoeven worden. Ook in de sector van de biotechnologie zien we vooral weer de aanwezigheid van het grootkapitaal dat boeren volledig afhankelijk van haar wil maken met patenten op zaaisel en pesticiden. Want genetisch gemanipulereerde organismen planten zich niet spontaan voort, waardoor dus boeren alles moeten gaan halen bij bedrijven als Monsanto. Technologie wordt dus zo een hulpmiddel bij de verdere uitbreiding van het kapitalisme, met alle nodige sociale en ecologische gevolgen.

Darwinisme en marxisme

We zagen reeds dat Anton Pannekoek schreef dat de evolutietheorie zo snel gemeengoed en wijdverbreid kon worden omdat het een rol kon spelen in de klassenstrijd en omdat het zo dicht bij de levenssfeer van de mensen stond.

Waar Darwin schreef over de evolutie van dieren, schreef Marx over de verandering van de maatschappijen. Marx neemt de mens en zijn productiemethoden centraal: “de ontwikkeling van de werktuigen van de technische hulpmiddelen,waarover de mensen beschikken, vormt dus de grondoorzaak, de drijfkracht van de gehele maatschappelijke ontwikkeling”, zo schreef Anton Pannekoek het. De ontwikkeling van de productiemethoden bepaalt de productieverhoudingen en die productieverhoudingen brengen automatisch klassenstrijd met zich mee. Het darwinisme bleek een instrument in de handen van de burgerij te zijn. Niet dat het darwinisme niet revolutionair was voor andere mensen. Het is de ultieme onttovering van de godsdienst. Maar voor marxisten is het kapitalisme geen eeuwig leven beschoren. De interne tegenstellingen van het kapitalisme zullen tot het socialisme leiden.

Ook Darwin zelf had absoluut geen hoge dunk van het sociaal darwinisme. Volgens Darwin was de natuurlijke selectie wel van toepassing bij de evolutie van de mensheid, maar ze deed dit niet door eliminatie van de ‘zwakkeren’. De evolutie van de mensheid is geen louter biologisch gegeven, maar ook evengoed een cultureel gegeven. De mens is een onvolgroeid wezen bij de geboorte en dus is opvoeding centraal bij het mens worden. In een beschaving werkt de natuurlijke selectie niet meer op het vlak van de organismen. Er is slechts een toename van sociale vaardigheden waar te nemen zoals solidariteit, empathie, altruïsme, dit in contrast met de invloed van het kapitalisme die de ontwikkeling van dat sociaal gedrag eerder belemmert. Er is dus een soort van omgekeerde natuurlijke selectie.

Voer voor discussie

Ik volg Darwin in zijn stelling dat de mens er evolutionair voordeel uit heeft gehaald om uit de harde ‘strijd van het bestaan’ te blijven en steeds meer samen te werken. Pleiten voor het recht van de sterkste, is meestal louter een soort van rechtvaardiging van de bestaande arbeidsverhoudingen.

Ik stel me wel de vraag of marxisten soms niet dezelfde fout maken als de sociaal Darwinisten. Kunnen we natuurwetten bepalen voor de geschiedenis van de mens? Kan men aan de hand van de geschiedenis, de toekomst voorspellen of is er geen doelmatigheid in de geschiedenis te bespeuren? Volgens de filosoof Karl Popper is het Marxisme niet weerlegbaar en daarom te verwerpen als pseudo-wetenschap. Het lijkt me interessant om in de discussie na te gaan of er wel degelijk toenemende sociale vaardigheden te bespeuren zijn bij de mensheid.

Ik denk niet dat we zo ver moeten gaan, maar ik denk wel dat het belangrijk is het verschil tussen de sociale wetenschappen en de exacte wetenschappen te behandelen. Bij de humane wetenschappen is de onderzoeker niet alleen toeschouwer, maar ook steeds deelnemer aangezien hij zelf een mens is. Marx had een vurige verontwaardiging en haat ten opzichte van het kapitalisme. Zijn wetenschappelijk socialisme kan dus nooit puur dezelfde objectiviteit hebben als de wetten van Keppler of zelfs de evolutietheorie. Dit moet ook niet, het positivisme is niet geschikt om de menselijke werkelijkheid te verklaren. Exacte wetenschappen beschrijven en voorspellen, sociale wetenschappen  trachten meer te begrijpen en voor dit begrip is de sociale context zeer belangrijk.

Denkers als Darwin en Marx toonden aan dat de sociale context veranderlijk is en daarom belangt dit volgens mij de arbeidsklasse aan. De mens is geen dier dat gebogen gaat onder de natuurwet van de natuurlijke selectie, integendeel doorheen de geschiedenis is vaak gebleken dat dit zelf contraproductief is. Andere samenlevingsvormen zijn mogelijk.

Deze discussie blijft ook actueel in het kader van het opkomende creationisme in de Verenigde Staten, maar zeker ook in de moslimwereld. Het geloven in de schepping wordt een teken van verzet tegen de ‘liberale’, decadente, seculiere maatschappij. In de Verenigde Staten vindt men de hardste vorm van kapitalisme, zonder verzorgingsstaat of sociale correcties. In zo’n maatschappij is de drang naar een almachtige, alwetende God groter dan in een menslievendere maatschappij. Religieuze leiders beseffen tevens hoe sterk de macht van godsdienst is om mensen achter zich te scharen. Zo mobiliseert christelijk rechts miljoenen stemmen bij de arbeidersklasse voor de republikeinen in de Verenigde Staten. Hoe moet de arbeidsklasse zich verhouden tegenover dit toenemende religieuze fundamentalisme? Is dit ook een bedreiging voor Europa?

We zagen bovendien ook dat volgens Spencer de strijd tussen individuen de motor van de maatschappij vormt en dat dit proces niet verstoord mag worden. Concurrentie heeft tijdens een kapitalisme enorme technologische vooruitgangen met zich meegebracht, maar is tevens vaak vernietigend voor de sociale vaardigheden van de mens. Ligt concurrentie in de aard van mens en is het essentieel voor de menselijke ontwikkeling? Zijn er hier alternatieven voorhanden?


[1] Marxisme en darwinisme door Anton Pannekoek

[2] Europeana, Fagel

[3] Eos, September 2009

Samenvatting discussie

Deze samenvaating werd aangenomen door de deelnemers op de discussiedag zelf

Een rijke discussie. Er is vooral aangedrongen op de band tussen het darwinisme en het marxisme.

Het darwinisme legde vooral de nadruk op de strijd voor het overleven en het marxisme op de klassenstrijd. Beide onderstrepen de dimensie van de evolutie, het darwinisme in het geval van de soorten, het marxisme in het geval van de maatschappij. De breuk met een onveranderlijke visie en de religie werd als een belangrijk punt aangehaald. Vandaag beklemtoont de bourgeoisie vooral het ‘atheïsme’ bij Darwin, maar gaat de dimensie uit de weg van de evolutie als een fundamenteel gegeven voor de menselijke evolutie. De mens bouwt zelf aan zijn eigen geschiedenis, het is een sociaal wezen dat in staat is om de zwakkeren in haar maatschappij te integreren. Als het socialisme wordt losgekoppeld van het historisch materialisme, van de theorie van de evolutie, vervalt het in een ethisch socialisme dat het socialisme predikt omdat het goed is en niet omdat het noodzakelijk is. Ook de rol van de wetenschap werd aangekaart en er werd gesteld dat de wetenschap niet boven de maatschappij staat maar er totaal deel van uitmaakt en heel dikwijls verbonden is met ideologieën. Ook het anarchisme baseert zich op een vorm van ethisch socialisme, dat een andere maatschappij eist op grond van absolute beginselen (gelijkheid, enz.).

Een persoonlijke indruk

(fragment uit correspondentie)

De discussie over Darwin was bijzonder interessant. Er zijn dingen gezegd die voor mij vrij nieuw en verhelderend waren. Bijv. over hoe de evolutietheorie een gevaar kan betekenen voor de bourgeoisie, omdat de evolutiegedachte de tijdelijkheid van het burgerlijk bestaan in vraag stelt, als die evolutiegedachte op de maatschappij wordt toegepast. Maar hoe gebeurt maatschappelijke evolutie? Iedereen leek het erover eens dat de biologische wetten hier niet op een directe wijze van toepassing zijn. Volgens mij hebben ze wel een invloed, maar de manier waarop bijv. genen tot expressie komen is zeer sterk afhankelijk van de maatschappelijke context. Ik vond het tevens interessant dat het verband werd gelegd tussen die evolutiegedachte en het reformisme en het ontstaan van het ethisch socialisme. Ook het feit dat de bourgeoisie bij de herdenking van Darwin alle nadruk legt op het anti-creationisme van Darwin en bijna geen op het sociaal-Darwinisme vond ik heel terecht opgemerkt. Op de universiteit is dat toch zeker van toepassing, terwijl het net daar is dat je kritiek verwacht, al blijft die burgerlijk van aard. Misschien is het net omdat de heersende klasse er enorme voordelen aan heeft dat ze de verwarring in stand houdt. Ik denk aan alle artikels en experimenten i.v.m. het bewijzen van de genetische aard van pedofilie, gewelddadigheid e.a. Het gebeurt op een heel subtiele wijze: artikels ontkennen niet dat de ‘omgeving’ (lees: ‘maatschappij’) een invloed heeft op ‘gedragskenmerken’ als gewelddadigheid, maar ze beperken zich tot de biologische kant van de zaak en bespreken amper deze ‘omgevingsinvloeden’, wat een sociaal-darwinistische visie bevordert. Mensen en andere dieren en planten worden zo gereduceerd tot onveranderlijke biologische mechanismen waaraan gesleuteld kan worden als aan machines. We kunnen hier gemakkelijk het verband zien met de kapitalistische ideologie die arbeiders niet als mensen ziet, maar als levensloze machines die moeten renderen. Biologisch ‘gebrekkigen’, zoals gehandicapten, ouderen en zelfs zwangere moeders zijn verlieslatend en kunnen maar beter ‘vermeden’ worden. We hoeven maar naar de vele abortusgevallen te kijken om te bemerken dat gehandicapten niet gewenst zijn door het kapitalisme. Naast het feit dat deze visie onethisch is, is ze ook niet wetenschappelijk. Biologische systemen zijn niet mechanistisch, als een keten van elkaar uitlokkende botsingen. Deze visie is deterministisch d.w.z. dat het hele verdere verloop van de biologische evolutie zou vaststaan en bijgevolg zou de evolutie bijna als iets statisch zijn, net als het middeleeuwse beeld van onveranderlijke soorten in een onveranderlijke wereld. Maar deze discussie is voor een andere keer. Ik geef jullie alvast een alinea (uit een cursus) die ik heel interessant vond voor wat betreft het determinisme in de natuur.

Quantumfysica

Ondertussen bleek dat de newtoniaanse mechanica haar bruikbaarheid verliest op het niveau van de atomen en subatomaire deeltjes.

Het gedrag van een elementair deeltjes bleek niet strikt afgeleid te kunnen worden vanuit een bekende begintoestand, hoogstens kan een statistische waarschijnlijkheid berekend worden. Een deeltje bleek ook geen deeltje in de klassieke betekenis, maar heeft een golfkarakter met een in principe onbegrensde uitgebreidheid.

De klassieke begrippen waarop de newtoniaanse natuurkunde steunde, moesten losgelaten worden. De energie bleek gequantiseerd en daardoor een zeker deeltjeskarakter te krijgen, terwijl aan de deeltjes een golfkarakter moest toegekend worden. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd zo door mensen als Niels Bohr, Werner Heisenberg; Erwin Schrödinger en anderen, de quantumtheorie ontwikkeld, die op adequate wijze de natuur op subatomair niveau beschrijft.

In de quantumfysica verliest de natuur haar deterministisch karakter. Wat we een deeltje noemen, wordt beschreven door een golffunctie, waarbij de golf de waarschijnlijkheid voorstelt van de aanwezigheid van het “deeltje” op een bepaalde plaats en bepaald tijdstip. Een welbepaalde positie kan dus niet aan het deeltje toegekend worden, hoogstens een spreiding in ruimte en tijd volgens een bepaald waarschijnlijkheidsverdeling. Wanneer een deeltje waargenomen wordt, verwerft het op dat moment, als gevolg van de interactie met de detector de plaats en de waarneembare eigenschappen die de waarnemer vaststelt.

Causaliteit (eenduidige oorzaak-gevolg-relaties) en localiteit (een systeem ondergaat alleen locale invloeden) kunnen niet gehandhaafd blijven. Deze nieuwe inzichten hebben een paradigma-wisseling op gang gezet, waarvan de diepere betekenis nog altijd onderwerp van discussie is.

Advertisements




Marxisme en Ecologie

25 04 2009

Beste klasgenoten, medestudenten, toekomstige collega’s… noem het zoals je wil.

In bijlage vinden jullie 2 teksten die ik graag met jullie zou delen. Waarom deel ik dit uit? Omdat ik niet akkoord ben met wat in de lessen ecosysteembeheer, duurzame ontwikkeling en milieu en maatschappij aan ons wordt opgedrongen. Ik verdedig een andere visie op ecologie die niet aan bod komt aan de universiteit. Onvermijdelijk houdt dit ook een politiek standpunt in. Is dit dan wel “objectief” en wetenschappelijk? Niet objectief, wel wetenschappelijk. Een “objectief” feit is immers maar een interpretatie van de werkelijkheid, m.a.w. een subjectiviteit, die op een bepaald moment als waarheid wordt beschouwd en waarover een consensus heerst tot op het punt dat die “waarheid” in vraag wordt gesteld en als subjectief wordt (h)erkend. Dit gebeurt wanneer er een andere, nieuwe “waarheid” wordt voorgesteld die de voormalige bekritiseert en een betere verklaring kan geven voor de werkelijkheid. (Zo legde Darwin het proces bloot dat de evolutie van het leven verklaart, waardoor we nu evolutie door natuurlijke selectie als een objectief feit aanzien.) Het is aan de wetenschap om telkens weer oude en nieuwe verklaringen in vraag te stellen en te vergelijken. Als toekomstige wetenschappers mogen we dan ook een andere kijk op maatschappij en ecologie niet negeren, maar moeten we ze onderwerpen aan een kritische analyse.

De eerste tekst is een artikel dat de Internationale Kommunistische Stroming (IKS) (www.internationalism.org) onlangs publiceerde in haar theoretisch blad: Internationale Revue. Het geeft een uitgesproken standpunt over het milieuvraagstuk: wat zijn de grondoorzaken voor de algemene milieuvervuiling van vandaag en welke gevolgen heeft dat in de zoektocht naar (een) oplossing(en)? Hoewel het geschreven is in 1990 blijft het heel actueel.

De tweede tekst is een hoofdstuk uit het boek van John Bellamy Foster: Ecology Against Capitalism. Het bekritiseert op een diepgaande wijze de theorieën van Malthus i.v.m. populatiedruk op hulpbronnen, die voor mij niets anders zijn dan een goedpraten van de armoede en honger op deze planeet en geen enkele bijdrage aan de wetenschap betekenen.

Aangezien ik nooit een geschikt moment vond om dit tijdens de lessen aan te kaarten en dit misschien ook niet de geschikte moment daarvoor is, lijkt het me beter lectuur mee te geven waar jullie dan mee doen wat jullie willen: lezen, weggooien, bijhouden, doorgeven… Hopelijk stimuleert het discussie. Als iemand zo gemotiveerd is om een schriftelijk antwoord te willen geven, mag dat steeds op volgende blog: https://devlam.wordpress.com.

Vriendelijke groeten,

Y.

Marxisme en Ecologie

Het kapitalisme vergiftigt de aarde

Hoe langer de kapitalistische beschaving blijft bestaan, hoe dichter ze ons brengt naar een ecologische ramp van planetaire proporties, een ramp die niet kan worden vermeden zonder de vernietiging van het kapitalisme.

De feiten zijn allemaal goed gekend en kunnen gehaald worden uit een aantal publicaties, zowel populaire als wetenschappelijke, zodat wij er hier niet in detail op zullen ingaan. Een eenvoudige lijst volstaat om de draagwijdte en de diepte van het gevaar aan te tonen: de toenemende vervalsing van het voedsel door additieven en ziektes van de veestapel; de vervuiling van de watervoorziening door het ongeremde gebruik van kunstmest en het dumpen van giftig afval; de luchtvervuiling, vooral in de grootsteden door het gecombineerde effect van industriële uitstoot en uitlaatgassen van auto’s; de bedreiging van radioactieve vervuiling vanwege de kernreactors en het lozen van afval in alle geïndustrialiseerde landen en ex-stalinistische regimes – een bedreiging die al tot een werkelijke nachtmerrie werd met de rampen in Windscale, Three Mile Island en vooral in Tsjernobil; de vergiftiging van de rivieren, de meren en de zeeën die al tientallen jaren gebruikt worden als afvalstorten van de wereld en die nu zouden kunnen leiden tot het ineenstorten van een hele complexe voedselketen en de vernietiging van organismen die een belangrijke rol spelen in de regulatie van het klimaat op de wereld; de versnelde vernietiging van de wouden in de wereld, in het bijzonder de tropische regenwouden, leidt naast de aantasting van het wereldklimaat ook tot landerosie die op zijn beurt bijdraagt tot andere rampspoed, zoals de oprukkende woestijn in Afrika en de overstromingen in Bangladesh.

Bovendien is het nu duidelijk dat de kwantiteit aan het overslaan is in kwaliteit, nu de gevolgen van de vervuiling zowel globaler als onberekenbaarder worden. Ze zijn globaal in de mate dat ieder land ter wereld er door getroffen wordt: niet alleen het geïndustrialiseerde Westen, maar ook de ‘onderontwikkelde’ Derde Wereld en de stalinistische en ex-stalinistische regimes, die zo bankroet zijn dat ze zich zelfs niet de minimale controles kunnen veroorloven die in het Westen zijn ingevoerd. Vroegere ‘socialistische’ landen zoals Polen, Oost-Duitsland en Roemenië behoren misschien wel tot de meest vervuilde ter wereld; omzeggens elke stad in Oost-Europa heeft zijn horrorgeschiedenis van lokale fabrieken die kanker, ademhalingsaandoeningen en nog andere ziekten veroorzaakten doordat dodelijk gif uitbrak, of van rivieren die ontvlammen wanneer je er een lucifer ingooit, enzovoort. Maar derdewereldsteden zoals Mexico of Curbutao in Brazilië moeten er zeker niet voor onderdoen.

Toch ligt er in deze context een ander en zelfs nog beangstigendere betekenis in het woord ‘globaal’, namelijk dat de ecologische ramp nu voelbaar het voortbestaan van het planetaire ecosysteem bedreigt. De verdunning van de ozonlaag die hoofdzakelijk het resultaat schijnt te zijn van de uitstoot van CFK-gassen is daar een duidelijk voorbeeld van, aangezien de ozonlaag al het leven op aarde beschermt tegen de dodelijke UV-straling. Het is onmogelijk om in dit stadium te zeggen wat de gevolgen van dat proces zullen zijn op lange termijn. Hetzelfde is van toepassing op het probleem van de het broeikaseffect dat nu wordt aanvaard als een werkelijke bedreiging door een groeiend aantal wetenschappelijke commissies, de meest recente die van de intergouvernementele commissie van de VN over de klimaatsverandering (IPCC). Het IPCC en andere hebben niet alleen gewaarschuwd voor massale overstromingen, droogtes en hongersnoden die er zouden kunnen uit voortvloeien als er geen betekenisvolle terugschroeving is in het huidige niveau van uitstoot van broeikasgassen, in het bijzonder koolstofdioxide, ze hebben ook gewezen op het gevaar van een ‘terugslageffect’, waarbij ieder aspect van de vervuiling en vernietiging van het leefmilieu reageert op het andere en zo en onomkeerbare spiraal van rampen op gang kan brengen.

Het is eveneens overduidelijk dat de klasse, wier systeem die puinhoop heeft veroorzaakt, er niet toe in staat is om er iets aan te verhelpen. Natuurlijk hebben bijna alle verlichte geesten van de bourgeoisie zich de laatste jaren op miraculeuze wijze bekeerd tot de zaak van de redding van het leefmilieu. De supermarkten puilen uit van goederen die aanprijzen hoe vrij ze wel zijn van kunstmatige additieven; cosmetica, detergenten en luiermerken wedijveren met elkaar om te bewijzen hoeveel respect zij hebben voor de ozonlaag, de lucht en de rivieren. En de politieke leiders van Thatcher tot Gorbatchov hebben het er steeds meer over hoe wij allen de handen in elkaar moeten slaan om de bedreigde planeet te beschermen.

Zoals gewoonlijk kent de schijnheiligheid van deze klasse van gangsters geen grenzen. De werkelijke bezorgdheid van de bourgeoisie voor het redden van de planeet kan worden afgemeten aan wat ze van plan is te doen. Zij maakt bijvoorbeeld veel poeha over de recente ozonconferentie in Londen, waar de belangrijkste landen ter wereld, en daarbij inbegrepen de tegensputterende reuzen van de Derde Wereld zoals India en China, tot een overeenkomst kwamen om de CFK’s uit te bannen tegen het jaar 2000. Maar dit betekent dat er in de komende 20 jaar nog eens 20 procent van de ozonlaag zou kunnen vernietigd worden. Tijdens die periode zou een volume ozon verdwijnen dat gelijk is aan de helft van het totale ozonvolume dat sinds de uitvinding van de CFK’s verdween.

Het is nog erger wanneer wij het hebben over het broeikaseffect. De VS-administratie heeft de uitdrukking ‘globale opwarming’ gebannen uit al haar officiële communiqués. En de landen die op papier de voorspellingen van het IPCC aanvaarden, hebben zich er slechts toe verbonden om de koolstofuitstoot te stabiliseren op het huidige niveau, niets meer dan dat. En vooral hebben ze geen ernstige strategie voor het verminderen van de afhankelijkheid van hun economieën van fossiele brandstoffen, noch voor het wagenpark van privéauto’s, die de grootste bijdrage leveren tot het broeikaseffect. Er wordt niets gedaan aan het tegenhouden van de vernietiging van de regenwouden en dat leidt zowel tot de opeenhoping van broeikasgassen als tot de vermindering van de capaciteit van de planeet om ze te absorberen: het eigen Actieplan voor de Tropische Wouden (Tropical Forest Action Plan) van de VN wordt helemaal gedomineerd door de houtvesterbedrijven. En, terzijde gezegd, zou het kaalslaan van de regenwouden door houtvesters, veetelers en industriële belangen, zowel als door hongerende boeren die wanhopig op zoek zijn naar land en brandstof, alleen kunnen gestopt worden indien de Derde Wereld plotseling zou bevrijd worden van de massale last van schulden en armoede. Wat de plannen betreft van het bouwen van verdediging tegen overstromingen of het voorkomen van hongersnood, kan de bevolking van de meest bedreigde landen zoals Bangladesh dezelfde soort ‘hulp’ verwachten als werd verleend aan de bewoners van de aardbevingszones op de wereld, of aan de slachtoffers van de droogtes in Afrika.

Het antwoord van de bourgeoisie op al deze problemen belicht dat het juist de structuur is van het systeem die de bourgeoisie niet in staat stelt om met de ecologische problemen, die het systeem heeft veroorzaakt, in het reine te komen. Globale ecologische  problemen vereisen globale oplossingen. Maar ondanks alle internationale conferenties, ondanks al het vroom gezwets over internationale samenwerking, is het kapitalisme onlosmakelijk gebaseerd op de wedijver tussen de nationale economieën. Zijn onvermogen om te komen tot een werkelijk niveau van globale samenwerking wordt vandaag nog erger gemaakt door het ineenzijgen van de oude blokstructuren en het afglijden van het systeem in een oorlog van allen tegen allen. De verdieping van de economische wereldcrisis die het Russische blok op de knieën dwong, zal de wedijver en de nationale rivaliteiten nog verergeren. Dit betekent dat ieder bedrijf en ieder land met een steeds toenemende onverantwoordelijkheid zal optreden bij het scharrelen als gekken voor het economisch overleven.

Welke ook de kleine toegevingen zijn die gemaakt worden uit milieubezorgdheid, toch zal de overheersende trend neerkomen op het door het raam keilen van de controles voor gezondheid, veiligheid en vervuiling. Dit is al eerder het geval geweest in het laatste decennium dat een scherpe stijging had laten optekenen van het aantal industriële en transportrampen als resultaat van verwoede kostenbesparingen in het licht van de economische crisis. Naarmate de handelsoorlog tussen de naties verhit, kunnen de zaken enkel verergeren.

Wat meer is, het ieder-voor-zich zal het gevaar verhogen op lokale militaire conflicten in streken waar de arbeidersklasse te zwak is om deze te verhinderen. Nu deze conflicten niet langer worden afgeremd door de discipline van de oude imperialistische blokken, lopen ze een veel groter risico op het ontbranden van de horrors van chemische en zelfs van kernoorlogen op een ‘lokale’ schaal, die miljoenen zou afslachten en de atmosfeer van de planeet verder zou vergiftigen. Wie kan er aannemen dat, gegrepen door een aanzwellende spiraal van chaos en verwarring, de bourgeoisie van de wereld op een harmonieuze wijze zou gaan samenwerken om de bedreiging van het leefmilieu aan te pakken? Als de ecologische moeilijkheden – dalende watervoorzieningen, overstromingen, twisten over vluchtelingen, enz. – een effect hebben, zal het de opdrijving van lokale imperialistische spanningen zijn. De bourgeoisie is zich daarvan reeds bewust. Zoals de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken Boutros Ghali het recent nog stelde: “de volgende oorlog in onze regio zal draaien rond de waters van de Nijl, niet over politiek”.

In de huidige fase van voortschrijdende ontbinding verliest de heersende klasse in toenemende mate de controle over haar sociaal systeem. De mensheid kan het zich niet langer veroorloven om het lot van de planeet in de handen van de bourgeoisie te laten. De ‘ecologische crisis’ is een verder bewijs dat het kapitalisme moet vernietigd worden vooraleer het de hele wereld meesleept naar de afgrond.

De ideologische vervuiling

Maar ook al is de bourgeoisie niet in staat om de schade te herstellen die zij heeft toegebracht aan de planeet, toch zal zij niet aarzelen om ecologische thema’s te misbruiken als voer voor haar misleidingcampagnes die gericht zijn tegen de enige kracht die iets kan doen tegen het probleem – de arbeidersklasse.

Het ecologische vraagstuk is op dit vlak ideaal. Dat is de reden waarom de bourgeoisie weinig pogingen doet om de ernst van het probleem te verdoezelen (en zelfs een lichte aandikking toestaat als het van pas komt). Steeds maar weer wordt ons wijsgemaakt dat problemen, zoals dat van de ozonlaag, of de globale opwarming, ‘ons allen treffen’, dat ze ‘geen onderscheid maken’ voor kleur, klasse of land. En het is waar dat de vervuiling, zoals andere aspecten van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij (drugsverslaving, criminaliteit, enz.), alle klassen van de maatschappij treft (ook al zijn het gewoonlijk de meest onderdrukten die er het meest onder lijden). Welke betere basis kon er bestaan voor het oplossen van het proletariaat, door het zijn eigen klassebelangen te doen vergeten, door het mee te sleuren in een amorfe massa waar er geen onderscheid meer is tussen arbeiders, winkeliers… of de heersende klasse zelf? De constante ideologische muur over het leefmilieu is dus een complement van alle campagnes over democratie en ‘volksmacht’ die werden ontketend na de val van het Oostblok.

Laten we kijken hoe zij de ecologische thema’s verdraaien om ze aan hun noden aan te passen. Deze problemen zijn zo afschrikwekkend, zo dringend, zeggen zij, dat ze zeker belangrijker zijn dan jouw eigen egoïstische strijd voor hogere lonen of tegen baanverlies, ja toch? Inderdaad, zijn de meeste van deze problemen niet te wijten aan het feit dat de arbeiders in de ontwikkelde landen ‘te veel consumeren’? Zouden zij niet bereid moeten zijn om minder vlees te eten, minder energie te verbruiken, of zelfs deze of gene bedrijfssluiting te aanvaarden ‘in het belang van de planeet’? Bestaat er een beter excuus voor de opofferingen die de crisis van de kapitalistische economie vereist?

En dan zijn er nog al de argumenten ter ondersteuning van de mythologie van de ‘hervormingen’ en de ‘realistische verandering’. Het is zeker dat er nu iets kan worden gedaan, zeggen zij. Zouden wij dan niet uitkijken naar een verkiezingskandidaat die de beste ecologische politiek voorstelt? Welke partij belooft het meest te zullen doen voor het leefmilieu? Bewijzen de betrokkenheid van Gorbatchov of Mitterand of Thatcher niet dat politici wel degelijk ingaan op druk vanuit het volk? Bewijzen de experimenten met energiebesparing, met zonne-energie of windkracht, die verschillende ‘verlichte’ regeringen zoals in Zweden of Nederland vandaag uitvoeren, dat de verandering enkel een zaak is van goede wil en aanpak vanwege de politici, gecombineerd met de druk van onderop door de burgers? Bewijst de overgang naar milieuvriendelijke producten niet dat de grote bedrijven werkelijk kunnen worden beïnvloed door ‘consumentenactie’?

En als al deze ‘hoopvolle’ en ‘positieve’ benaderingen niet kunnen overtuigen, dan kan de bourgeoisie toch nog gebruik maken van de gevoelens van hulpeloosheid en ontreddering die alleen versterkt kunnen worden wanneer de geïsoleerde burger uit zijn venster kijkt en ziet hoe een hele wereld wordt vergiftigd. Als de bourgeoisie er niet in slaagt om de uitgebuitenen te laten geloven in haar leugens, dan betekent een geatomiseerde arbeidersklasse tenminste geen bedreiging voor het systeem.

De valse alternatieven van de ‘Groenen’

Maar in de laatste tien jaar is er een nieuwe politieke kracht op het toneel gekomen – één die beweert op te komen voor een radicale benadering die de verdediging van het leefmilieu boven alle andere beschouwingen stelt: de Groenen. In Duitsland zijn zij een kracht geworden waarmee rekening moest worden gehouden in het nationale politieke leven. In Oost-Europa zijn de ecologische groepen sterk vertegenwoordigd in de democratische oppositie die in de bres gesprongen zijn, die werd opengelaten met de ineenstorting van het Stalinisme. Groene partijen en drukkingsgroepen komen op in het merendeel van de ontwikkelde landen en zelfs in de Derde Wereld.

Maar de Groenen maken ook deel uit van het rottende kapitalisme. Het spreekt voor zich als je kijkt naar de Groenen in Duitsland: zij zijn een respectabele parlementaire partij geworden, met talrijke zetels in de nationale Bondsdag en bekleden verschillende verantwoordelijke posten in lokale en regionale regeringen. De openlijke integratie van de Groenen in de kapitalistische normaliteit werd enkele jaren geleden gesymboliseerd door het feit dat de ‘buiten-parlementaire’, anarchistische rebel van 1968, Daniel Cohn Bendit (herinner je de slogan ‘Elections, piège à cons’ [Verkiezingen, valstrik voor het klootjesvolk]) zelf parlementslid werd in het Duitse parlement, en zelfs zijn verlangen te kennen gaf om minister te worden. In de Bondsdag nemen de Groenen deel aan alle smerige manoeuvres die typisch zijn voor de burgerlijke partijen – nu eens treden zij op als een rem om de SPD in de oppositie te houden, dan weer vormen zij een bondgenootschap met de sociaal-democraten tegen de heersende CDU.

Het is waar dat de Groenen verdeeld zijn over een ‘realistische’ vleugel die tevreden is met de aandacht in de parlementaire arena, en een ‘puristische’ vleugel die meer radicale, buitenparlementaire vormen van actie ondersteunt. En veel van de aantrekkingskracht van de Groene partijen en de drukkingsgroepen ligt in het feit dat zij inspelen op het wantrouwen van de bevolking tegenover bureaucratische centrale regeringen en parlementaire corruptie. Als alternatief bieden zij campagnes aan tegen lokale gevallen van vervuiling, spectaculaire proteststunts van het type waarin Greenpeace gespecialiseerd is, marsen en betogingen, terwijl zij oproepen tot de decentralisatie van de politieke macht en ‘burgerinitiatieven’ van allerlei slag. Maar geen van deze activiteiten stappen buiten de krijtlijnen van de algemene campagnes van de bourgeoisie. Integendeel, ze dienen om te verzekeren dat deze campagnes diep doordringen in de bodem van de maatschappij.

De ‘radicale Groenen’ zijn de kampioenen van het interklassisme. Zij richten zich tot het ‘verantwoordelijke individu’, tot de ‘lokale gemeenschap’, tot het goede geweten van de mensheid in het algemeen. De acties die zij opzetten proberen alle burgers te mobiliseren, ongeacht hun klasse, in de strijd tegen de vervuiling. En wanneer zij de bureaucratie en de laksheid van een centrale regering bekritiseren, is het alleen met de bedoeling om een visie van ‘lokale democratie’ voorop te stellen die naar inhoud even burgerlijk is.

Zij zijn niet minder ijverig in hun steun aan de reformistische illusie. De acties die zij organiseren zijn er onveranderlijk op gericht om ondernemingen of regeringen meer verantwoordelijk, properder, ‘groener’ te maken. Slechts één voorbeeld: een pamflet van ‘Friends of the Earth’ legt uit hoe de schuld van de Derde Wereld leidt tot de vernietiging van de regenwouden. Wat is dan de oplossing? De westerse banken “zouden alle schulden moeten liquideren van de armste landen in de wereld, en de schulden verminderen van de andere grote schuldenlanden met minstens de helft. Zij kunnen zich dit nu permitteren.” En hoe zullen de banken ervan overtuigd worden om dat te doen? “De banken zullen niet bewegen tenzij hen wordt aangetoond hoe erg hun klanten begaan zijn met dit thema. Je cheques afstempelen met ‘Delg de schuld niet het regenwoud’ en door het opnemen van een ‘Schuld Gelofte’ zijn twee krachtige manieren om hen te tonen hoe jij je voelt.

De Groenen nodigen ons dus uit om geloof te hechten aan de doeltreffendheid van de ‘consumentenmacht’ en in de mogelijkheid om een beroep te doen op de goede inborst van de rijken die zich er niet om bekommeren dat ze miljoenen mensen veroordelen tot de hongerdood enkel door het versluizen van hun kapitaal van het ene land naar het andere. Het komt op hetzelfde neer wanneer de Groenen hun blauwdruk voorstellen voor de toekomst: een wereld waar kleine ecologische ondernemingen nooit ontaarden in de roofzuchtige kapitalistische reuzen, een pacifistische visie van één natie die praat tot een andere natie, kortom, een vriendelijk, zorgzaam, pacifistisch, onmogelijk kapitalisme.

Maar er zijn ook stromingen in of rond de groene beweging, die beweren radicaler te zijn dan dit, die eigenlijk het kapitalisme bekritiseren en het zelfs hebben over revolutie. Sommigen onder hen zijn zo radicaal dat zij beweren dat het marxisme niet meer is dan de andere zijde van de kapitalistische ‘megamachine’. Kijk naar de regimes in Oost-Europa, zeggen zij: het is een logisch resultaat van de verering van het marxisme voor de ‘vooruitgangstechnologie’, voor de industrie. Geïnspireerd door ‘denkers’ zoals Baudrillard, kunnen zij zelfs in een heel ingewikkelde taal uitleggen dat marxisme slechts één van de andere ‘productivistische’ ideologieën is (hier werden ze vervoegd door berouwvolle Stalinisten zoals Martin Jacques, die op een recente conferentie van de ineenstortende Britse CP, beweerde dat “men het feit niet kon ontwijken dat de marxistische traditie in de kern productivistisch is… de onderwerping van de natuur, de productiekrachten, de inzet voor de economische groei”). Anarcho-primitivisten zoals de ‘Fifth Estate’, uitgegeven in Detroit, roepen op tot niets minder dan het uitroeien van de industrieel-technologische maatschappij en een terugkeer naar een primitief communisme. De ‘onwrikbare ecologisten’ van ‘Earth First’ gaan nog verder: voor hun ideologen ligt het probleem niet enkel in de industriële maatschappij of beschaving, maar in de mens zelf…

Marxisme tegen de groene misleidingen

De notie dat een abstracte entiteit, ‘mens’ genoemd, verantwoordelijk zou zijn voor de huidige ecologische puinhoop blijft niet beperkt tot een paar esoterische groene ideologen; het is in feite een wijdverspreid cliché. Maar in beide gevallen is het een idee dat enkel kan leiden tot wanhoop, want als de menselijke wezens zelf het probleem vormen, hoe kunnen menselijke wezens er dan een oplossing voor vinden? Het is niet toevallig dat sommigen onder de ‘onwrikbare ecologisten’ AIDS hebben verwelkomd als een noodzakelijke agent om in de wereld het teveel aan mensen weg te snoeien…

Het standpunt van de anarcho-primitivisten leidt tot dezelfde sombere gevolgtrekkingen. ‘Tegen de technologie’ zijn, is ook tegen de mensheid zijn. De mens heeft zichzelf geschapen via de arbeid, en “arbeid begint met het maken van gereedschap”. De logica van het anti-technologisch standpunt is te proberen om terug te gaan tot het voor-menselijk verleden toen de natuur nog ongerept was, wars van het geratel van de menselijke activiteit: “Samengevat zien we dat de dieren hun omgeving slechts gebruiken en daarmee veranderingen aanbrengen omwille van hun aanwezigheid. De mensen brengen wijzigingen aan die nuttig zijn voor zichzelf, ze beheersen de omgeving. Dat is het essentiële verschil tussen de mens en andere dieren, en eens te meer is het de arbeid die leidt tot dit verschil.

Maar zelfs als de anti-technologisten tevreden zouden zijn om terug te keren naar het cultuurstadium van de jagers-verzamelaars, zou het resultaat hetzelfde zijn, aangezien de materiële voorwaarden van een dergelijke maatschappij een wereldbevolking vooronderstelde van niet meer dan een paar miljoen. Deze voorwaarden zouden enkel kunnen worden vervuld door een selectieve eliminatie van menselijke wezens, iets waarop het kapitalisme ons in zijn doodsstrijd al voorbereidt. Aldus worden deze radicale ecologisten – producten van een ontbindende kleinburgerij die geen historische toekomst heeft en alleen kan terugblikken op een geïdealiseerd verleden – gerekruteerd als theoretici en apologeten voor een afdaling in de barbarij die al een flinke vaart heeft genomen.

Tegen deze nihilistisch ideologieën stelt het marxisme, als uitdrukking van het standpunt van de enige klasse die heden een toekomst heeft, dat de huidige ecologische nachtmerrie niet kan uitgelegd worden door terug te vallen op categorieën als de mens, de technologie of de industrie op een totaal vage en ahistorische manier. De mens bestaat niet buiten de geschiedenis, en de technologie kan niet gescheiden worden van de sociale relaties waarin ze zich ontwikkeld heeft. De interactie van de mens met de natuur kunnen alleen begrepen worden in hun werkelijk historisch en sociaal verband.

De mensheid leeft al honderdduizenden jaren op deze planeet – voor het merendeel in het stadium van het primitieve communisme van de jager-verzamelaargemeenschappen waar er een stabiel evenwicht was tussen mens en natuur, een feit dat weerspiegeld werd in de mythen en rituelen van de primitieve volkeren. De ontbinding van deze archaïsche gemeenschap en de opkomst van de klassenmaatschappij, een kwalitatieve stap in de vervreemding van de mensheid, bepaalde ook nieuwe vervreemdingen tussen mens en natuur. De eerste gevallen van extensieve ecologische vernietiging vallen samen met de eerste stadsstaten. Er is aanzienlijk bewijsmateriaal dat het echte ontbossingproces dat beschavingen zoals de Sumerische, de Babylonische, de Singalese en andere toestond om zich te ontwikkelen op basis van grootschalige landbouw ook, op langere termijn, een aanzienlijke rol speelde in hun verval en hun verdwijning.

Maar dit waren lokale, beperkte verschijnselen. Voorafgaand aan het kapitalisme waren alle beschavingen gebaseerd op een ‘natuureconomie’: het gros van de productie was nog altijd gericht op de onmiddellijke consumptie van gebruiksgoederen, ook al werd er in tegenstelling tot de primitieve maatschappij een groot deel onteigend door de heersende klasse. Kapitalisme daarentegen is een systeem waarbij al de productie wordt gericht op de markt, naar de uitgebreide reproductie van de ruilwaarde. Het is een sociale formatie die veel dynamischer is dan enig ander voorafgaand systeem en zijn dynamiek dwong het om meedogenloos te streven naar de schepping van de wereldmarkt. Maar het werkelijke dynamisme en de globale aard van het kapitalisme betekent dat het probleem van de ecologische vernietiging nu uit de pan gerezen is tot een planetair niveau. Want het is niet het marxisme, maar het kapitalisme dat ‘in zijn wezen productivistisch’ is. Gedreven door de wedijver, door de anarchistische rivaliteit van de kapitalistische eenheden die vechten voor de controle van de markt, gehoorzaamt het aan de innerlijks drang om uit te breiden tot zijn verst mogelijke grenzen. En in deze meedogenloze drang om zichzelf uit te breiden kan het geen pauze houden om acht te slaan op de gezondheid, het welzijn van de producenten of de toekomstige ecologische gevolgen van hoe en wat het produceert. Het geheim van de huidige ecologische vernietiging is te vinden in het geheim van de kapitalistische productie: “Accumuleert, accumuleert. Dat is zijn Mozes en zijn profeten (…) De accumulatie om de accumulatie, de productie om de productie (…)”.

Het probleem achter de ecologische ramp is dus niet de ‘industriële maatschappij’ abstract genomen, zoals zo vele ecologisten beweren: de enige industriële maatschappij die tot nog toe heeft bestaan is het kapitalisme. Dit omvat natuurlijk ook de stalinistische regimes, die een werkelijke karikatuur zijn van de kapitalistische onderschikking van de consumptie aan de accumulatie. Diegenen die het marxisme de ecologische vernietiging in Oost-Europa verwijten, lenen hun stem aan het geroep van de bourgeoisie over het ‘bankroet van het communisme’, dat volgde op de ineenstorting van het imperialistische Oostblok. Het probleem berust niet in deze of gene vorm van het kapitalisme, maar in de wezenlijke mechanismen van een maatschappij die niet in bewuste harmonie groeit met de noden van de mens en met de natuur, door Marx het ‘anorganisch lichaam’ van de mens genoemd, maar zich ontwikkelt ‘om te ontwikkelen’.

Maar het ecologisch probleem heeft ook zijn specifieke geschiedenis binnen het kapitalisme. Reeds in de bloeiperiode, hadden Marx en Engels veel gelegenheden om de manier aan te klagen waarop de dorst naar winst van kapitalisme, de levens- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse vergiftigde. Zij meenden zelfs dat de industriële grootsteden reeds te groot geworden waren om als basis te dienen voor leefbare menselijke gemeenschappen en beschouwden de “opheffing van de scheiding tussen stad en platteland” als een integraal deel van het communistische programma (beeld je even in wat zij zouden gezegd hebben over de megasteden van de 20e eeuw…).

Maar het is in wezen in het huidige tijdperk van het kapitalisme, het tijdperk dat sinds 1914 door de marxisten gedefinieerd werd als dat van het verval van deze productiewijze, dat de genadeloze vernietiging van het leefmilieu een andere schaal en kwaliteit aanneemt, terwijl het tezelfdertijd elke historische rechtvaardiging verliest. Dit is het tijdperk waarin alle kapitalistische naties gedwongen worden om met elkaar te wedijveren op een oververzadigde wereldmarkt. Het is dus een tijdperk van permanente oorlogseconomie, met een onevenredige groei van de zware industrie, een tijdperk dat wordt gekenmerkt door de irrationele, verspillende verveelvoudiging van de industriële complexen binnen elke nationale entiteit, door de radeloze plundering van natuurlijke grondstoffen door iedere natie bij hun poging om te overleven in de genadeloze concurrentie van de wereldmarkt. De gevolgen van dit alles voor het leefmilieu zijn glashelder. De verheviging van de ecologische problemen kan worden afgemeten aan de verschillende fasen in het kapitalistische verval. De belangrijkste toename van de uitstoot van koolstofdioxide heeft plaatsgevonden in de 20e eeuw, met een aanzienlijke stijging sinds de jaren 1960. CFK’s werden pas uitgevonden in de jaren 1930 en zijn sindsdien slechts intensief gebruikt tijdens de laatste tientallen jaren. De opkomst van de megasteden is een verschijnsel van na de Tweede Wereldoorlog, net zoals de ontwikkeling van vormen van landbouw die niet minder milieuonvriendelijk waren dan de meeste vormen van industrie. De waanzinnige vernietiging van de regenwouden heeft plaatsgevonden in dezelfde periode en vooral tussen 1980 en 1990: het tempo is toen waarschijnlijk verdubbeld.

Wat wij vandaag zien is de opeenhoping van tientallen jaren van ongeplande, verspillende, irrationele economische en militaire activiteit door het kapitalisme in verval. De kwalitatieve versnelling van de ecologische crisis tijdens de voorbije tien jaren ‘valt samen’ met de ingang van de eindfase van het  kapitalistisch verval – de fase van de ontbinding. Daarmee bedoelen wij dat na 20 jaar van diepgaande en steeds verslechterende economische crisis, waarin geen van de beide bepalende sociale krachten in staat zijn geweest om hun historisch alternatief van wereldoorlog of wereldrevolutie door te drijven, de hele sociale orde is beginnen spaak lopen, om af te stevenen op  een ongecontroleerde neergaande spiraal van chaos en vernietiging.

Het kapitalistische systeem vormt al lang geen enkele vooruitgang meer voor de mensheid. De rampzalige ecologische gevolgen van zijn ‘groei’ sinds eind 1945 tonen eens te meer aan dat deze groei heeft plaatsgevonden op een ziekelijke, vernietigende grondslag, en betekent een klap in het gezicht van alle ‘experts’ – waarvan sommige jammer genoeg nog te vinden zijn in de proletarische politieke beweging – die op deze groei wijzen om de marxistische notie van het verval van het kapitalisme te bestrijden.

Maar dit betekent niet dat marxisten – in tegenstelling tot de bourgeoisie van vandaag, en al haar kleinburgerlijke aanhangsels – de notie van vooruitgang opgeven of enige toegevingen doen aan de anti-technologische vooroordelen van de radicale ’Groenen’.

De marxistische opvatting van vooruitgang was nooit dezelfde als de burgerlijke eenzijdige, lineaire notie van een gestage opgang van primitieve duisternis en bijgeloof naar het licht van moderne rede en democratie. De marxistische opvatting is een dialectische visie die erkent dat er historische vooruitgang heeft plaatsgevonden doorheen de botsing van de tegenstellingen, dat dit rampen met zich heeft meegebracht en zelfs teruggang, dat het voortschrijden van de beschaving ook de verfijning van de uitbuiting en de verergering van de vervreemding onder de mensen en tussen mens en natuur betekende. Maar het erkent ook dat het feit dat de mens in toenemende mate in staat is om de natuur om te vormen doorheen de ontwikkeling van zijn productiekrachten, om de onbewuste processen van de natuur onder zijn eigen bewuste controle te brengen. Dit vormt de enige basis om deze vervreemding te overstijgen en te komen tot een hogere vorm van gemeenschap dan het beperkte communisme van de primitieve tijden, d.w.z. een wereldwijde gemeenschap die niet zal gebaseerd zijn op grond van schaarste en de onderwerping van het individu aan het collectief, maar op een ongezien niveau van overvloed dat “de materiële voorwaarden zal verschaffen voor de totale, universele ontwikkeling van de productiekrachten van het individu” (Marx, ‘Grundrisse’). Door het scheppen van de materiële basis voor de globale mensengemeenschap, vertegenwoordigde het kapitalisme een onmetelijke stap vooruit ten opzichte van de natuureconomieën die er aan voorafgingen.

Vandaag is de notie van het ‘controleren’ van de natuur smerig vertekend door de ervaring van het kapitalisme, die de gehele natuur simpelweg heeft behandeld net zoals elke andere waar, als een levenloze zaak, als iets dat wezenlijk buiten de mens staat. Tegen dit gezichtspunt – maar ook tegen de passieve natuurverering die overheerst bij vele van de Groenen van vandaag – definieerde Engels het communistisch standpunt als volgt:

Bij ieder stap worden wij er aan herinnerd dat wij op geen enkele wijze heersen over de natuur als een veroveraar over een vreemd volk, als iemand die buiten de natuur staat – maar dat wij, met vlees, bloed en hersens, deel uitmaken van de natuur, en er middenin bestaan, en dat al onze kunde er in bestaat dat wij een voordeel hebben over alle andere schepsels, van in staat te zijn tot het leren begrijpen van zijn wetten en ze correct toe te passen.

In werkelijkheid laat het kapitalisme vandaag blijken dat, ondanks alle zogenaamde ‘veroveringen’, zijn controle over de natuur neerkomt op de ‘controle’ van een leerling-tovenaar, niet van de tovenaar zelf. Het heeft de grondvesten gelegd voor het werkelijk bewust beheersen van de natuur, maar zijn echte werkwijze verandert al deze verworvenheden om tot rampen. Zoals Marx het neerschreef:

“Aan eenzelfde ritme waarmee de mensheid de natuur beheerst, schijnt de mens meer en meer onderworpen te worden aan de andere mensen of aan zijn eigen laagheid. Zelfs de helderheid van de wetenschap wordt aan het oog onttrokken, tenzij tegen een zwarte achtergrond van onwetendheid. Al onze uitvindingen en vooruitgang schijnen uit te monden in een poging om materiële krachten een soort intellectueel leven te geven, en het menselijk leven daarentegen te reduceren tot een materiële kracht.”

Vandaag heeft deze tegenspraak het punt bereikt waarbij de mensheid op een tweesprong staat op de weg van de geschiedenis en voor de keuze staat tussen aan één kant de bewuste controle over zijn eigen sociale en productieve krachten, en dus van een ‘correcte toepassing’ van de natuurwetten, en aan de andere kant de vernietiging aan de hand van juist die krachten die hij zelf op gang heeft gebracht. Met andere woorden de keuze tussen communisme of barbarij.

Alleen de proletarische revolutie kan de planeet redden

Als het communisme het enige antwoord is op de ecologische crisis, dan is de arbeidersklasse de enige kracht die een communistische maatschappij kan creëren. Net zoals bij de andere aspecten van de ontbinding van de kapitalistische maatschappij belicht de bedreiging van het leefmilieu dat hoe langer het proletariaat zijn revolutie uitstelt, hoe groter het gevaar wordt dat de revolutionaire klasse uitgeput en ondermijnd raakt, en dat het hele verloop naar vernietiging en chaos een punt bereikt waarna geen weg terug is. Dat zou zowel de strijd voor de revolutie als de opbouw van een nieuwe maatschappij tot een onmogelijke taak maken. Dus in zoverre als het de toenemende dringendheid van de communistische revolutie onderstreept, zal een besef van de diepte van de huidige ecologische problemen een rol spelen in de overgang van de proletarische strijd van een defensief, economisch niveau naar een niveau van een bewuste politieke strijd tegen het kapitaal in zijn geheel.

Maar het zou een misvatting zijn om te denken dat het ecologisch thema op zich vandaag een focus zou kunnen worden voor de mobilisering van het proletariaat op zijn eigen klassenterrein. Alhoewel bepaalde beperkte aspecten van het probleem (bijvoorbeeld de gezondheid en veiligheid op het werk) geïntegreerd kunnen worden in waarachtige klasse-eisen, laat het thema als dusdanig het proletariaat niet toe om zichzelf op te werpen als een onderscheiden sociale klasse. Integendeel, zoals wij gezien hebben, verschaft het aan de bourgeoisie een ideaal voorwendsel voor inter-klassistische campagnes. En de arbeiders zullen actief weerstand moeten bieden aan de pogingen van de bourgeoisie, in het bijzonder van de groene en linkse elementen ervan, om het thema te misbruiken als een middel om hen af te leiden van hun eigen klassenterrein. Het blijft nog altijd zo dat de arbeiders vooral in de strijd tegen de gevolgen van de economische crisis – loonsdalingen, werkloosheid, toenemende verarming op alle niveaus – in staat zullen zijn om zichzelf om te vormen tot een kracht die de hele burgerlijke orde kan te lijf gaan.

De arbeidersklasse zal slechts in staat zijn om het ecologisch thema aan te pakken in zijn geheel nadat zij de politieke macht heeft veroverd op wereldvlak. Het is overduidelijk dat dit één van de meest dringende taken zal worden van de overgangsperiode. Het is in ieder geval nauw verbonden met andere dringende problemen zoals de honger in de wereld en het herorganiseren van de landbouw.

We kunnen hier geen gedetailleerde discussie starten over de maatregelen die het proletariaat zal moeten nemen, zowel voor wat betreft het opruimen van de puinhoop die is achtergelaten door het kapitalisme, als de stap vooruit naar een kwalitatieve nieuwe verhouding tussen mens en natuur. Hier willen wij slechts één punt aanstippen: de problemen van een triomferend proletariaat zullen niet fundamenteel technisch zijn, maar politiek en sociaal van aard.

De bestaande technische en industriële infrastructuur is diepgaand verwrongen door de irrationaliteit van de kapitalistische ontwikkeling in dit tijdperk. En het leidt geen twijfel dat een zeer aanzienlijk deel ervan zal moeten worden vernietigd als voorwaarde voor het opbouwen van een productiebasis die geen bedreiging meer zal vormen voor het natuurlijk leefmilieu. Op het zuiver technisch niveau zijn er echter al een heel aantal alternatieven of zouden er kunnen worden ontwikkeld als er genoeg in wordt geïnvesteerd. Het is bijvoorbeeld al mogelijk in de elektriciteitscentrales die koolwaterstoffen verbranden, het merendeel van de uitstoot aan koolstofdioxide en andere schadelijke stoffen te elimineren door doeltreffend gebruik te maken van bijna 100% van het geproduceerde afvalmateriaal. Evenzo is het reeds mogelijk om vele andere alternatieve energiebronnen te ontwikkelen: zonne-energie, windkracht, golfkracht, enz., die hernieuwbaar zijn en bijna vrij van vervuiling. Er zitten ook enorme mogelijkheden in het proces van kernfusie, die vele van de problemen zou kunnen vermijden die verbonden zijn aan de kernsplitsing.

Het kapitalisme heeft reeds zijn technische capaciteiten ontwikkeld tot op het punt waarop het probleem van de vervuiling zou kunnen worden opgelost. Maar het feit dat het werkelijke probleem van sociale aard is, wordt belicht door de vele gevallen waarbij de eigen korte termijn politiek en de militaire belangen van het kapitalisme het niet toestonden om niet vervuilende technologieën te ontwikkelen. Wij weten bijvoorbeeld dat na de tweede wereldoorlog de Amerikaanse olie-, gas- en elektriciteitsindustrieën een campagne hebben opgezet om de ontwikkeling van zonne-energie te verdringen; wij vernamen onlangs dat de Britse regering meewerkte aan een rapport dat sleutelde aan de schema’s om te bewijzen dat kernenergie goedkoper was dan golfkracht; de automobielindustrie heeft lang de weg geblokkeerd voor de ontwikkeling van minder vervuilende vormen van transport, enzovoort.

Maar de vraag ligt dieper dan de bewuste politiek van deze of gene regering of industrie. Zoals wij hebben gezien, ligt  het probleem in de basiswerking van de kapitalistische productiewijze, en het kan enkel worden opgelost door het aanvallen van deze productiewijze in zijn werkelijke wortels.

Het kapitaal vernietigt lichtzinnig het natuurlijk leefmilieu omdat het moet groeien om te groeien; het enige antwoord is dus het afschaffen van het beginsel van de kapitalistische accumulatie, niet voor de winst te produceren, maar om de menselijke behoeften te bevredigen. Het kapitalisme verwoest de natuurlijke hulpbronnen, omdat het opgedeeld is in concurrerende nationale eenheden, omdat het fundamenteel chaotisch is en omdat het produceert zonder te denken aan de toekomst. Het enige antwoord is dat van de afschaffing van de natiestaat, het gemeenschappelijk maken van de menselijke en natuurlijke hulpbronnen en het uittekenen van wat Bordiga noemde “een levensplan voor de menselijke soort”. Kortom, het probleem kan enkel worden opgelost door een arbeidersklasse die zich bewust is van de noodzaak om de grondslagen zelf van het sociale leven radicaal om te gooien, en die in haar handen de politieke instrumenten heeft om de overgang door te voeren naar een communistische maatschappij.

Georganiseerd op wereldvlak, alle onderdrukten met zich meeslepend, kan en moet het internationale proletariaat zich inzetten voor de schepping van een wereld waarin er een ongeziene materiële overvloed zal zijn die niet in conflict zal komen met de gezondheid of het natuurlijk leefmilieu. Beiden worden gezien als wederzijdse voorwaarden voor elkaar. Een wereld waarin de mensheid, eindelijk bevrijd van de overheersing van de arbeid en de schaarste, volop kan genieten van de planeet. Borend doorheen de mist van de uitbuiting en de vervuiling, waarmee de kapitalistische beschaving de aarde heeft omhuld, was dit zeker de wereld die Marx voor ogen had toen hij in 1844 in zijn Manuscripten vooruitblikte naar een maatschappij die de belichaming zou zijn van “de eenheid van mens en natuur – de ware heropstanding van de natuur – de vernatuurlijking van de mens en de vermenselijking van de natuur, die beiden tot ontplooiing zullen komen”.

CDW

Internationale Revue nr. 20, 2009

(1) Stamp out the debt, not the rainforest [Delg de schulden, niet het regenwoud]

(2) Ibid.

(3) Engels, ‘De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens’

(4) Ibid.

(5) Jared Diamond schreef het boek ‘Collapse’ (2005), waarin hij voorbeelden geeft van maatschappijen die in het verleden ten onder gingen, mede door een ongecontroleerde ontbossing.  Diamond  is echter geen marxist, maar  breidt verder op de theorie van Malthus die stelde dat de ecologische hulpbronnen nooit de volledige bevolking zouden kunnen voorzien in hun behoeften, doordat de populatie te snel groeit. Engels noemde de theorie van Malthus de wreedste en meest barbaarse theorie ooit.

(6) Het Kapitaal, deel 1, ‘Omzetting van meerwaarde in kapitaal’

(7) Zie Internationale Revue nr. 13, ‘Ontbinding, de eindfase van het kapitalistische verval’

(8) Engels, ‘De rol gespeeld door de arbeid…’

(9) Toespraak bij de verjaardag van ‘The Peoples Paper’, april 1856





Kunst

25 04 2009

Deze tekst werd opgesteld en her-opgesteld na een dag van debat, georganiseerd door de IKS in augustus 2008, en waarvan één van de thema’s over kunst ging. Tijdens de discussies heb ik de mogelijkheid gehad om een standpunt te uiten dat grofweg overeenkomt met wat ik van de kwestie denk en die grotendeels gefundeerd was op persoonlijke intuïties. Na het debat nodigde men mij uit om mijn tussenkomst op papier te zetten, kwestie van er een spoor van na te laten. Zoals gewoonlijk aanvaardde ik de uitnodiging, maar deze keer besloot ik mijn engagement niet te verwaarlozen. Eerst had ik moeite om mezelf de inhoud van wat ik had gezegd te herhalen. Niet dat ik het vergeten was, maar het scheen me toe dat mijn opinies berustten op grotendeels vage ideeën die een algemeen principe verborgen dat me leek te onderscheiden wat betreft de kunst, zonder het terug te vinden in wat ik had uitgedrukt. In plaats van mijn tussenkomst te herschrijven, heb ik uiteindelijk getracht opnieuw van nul te starten en mijn opinies eerder terug te vinden langsheen hun wortels dan in mijn herrinneringen.

Zo luidt de eerste alinea van onderstaande tekst die voorlopig nog niet in het Nederlands werd vertaald. Ik plaats hier alvast de oorspronkelijke versie en hoop dat het zal bijdragen tot het verklaren van  de politieke betekenis van de kunst.

Zie ook het artikel op deze blog: “Kunst & Revolutie”

L’ ART

Ce texte a été rédigé et re-rédigé suite à une journée de débats organisée par le CCI en août 2008 et dont l’une des thématiques portait sur l’art. Lors des discussions, j’ai eu l’occasion d’exprimer un point de vue qui agglomérait grossièrement ce que je pensais de la question et qui était largement fondé sur des intuitions qui m’étaient personnelles. Au sortir du débat, on m’invita à mettre mon intervention sur papier, histoire d’en laisser une trace. Comme d’habitude, j’acceptai, mais cette fois je me résolus à ne pas négliger mon engagement. J’eus d’abord du mal à me répéter à moi-même la teneur exacte de ce que j’avais dis. Non que je l’avais oubliée, mais il me semblait que mon opinion reposait sur des idées largement floues qui occultaient un principe général qu’il me semblait discerner au sujet de l’art sans parvenir à le retrouver par ce que j’avais énoncé. Au lieu de réécrire mon intervention, j’ai finalement tenté de repartir de zéro et de retrouver mes opinions par leur racine plutôt que dans mes souvenirs.

Ce qui suit est un pur essai. Je ne m’appuie pas sur un large corpus d’écrits au sujet de l’art et pourtant, le domaine est vaste et a torturé bien des penseurs. Loin de prétendre à une quelconque érudition en la matière, je me base plutôt sur mon expérience personnelle de l’art, une expérience que tout le monde partage sans doute à des degrés divers. Certains concepts que j’utilise pour m’exprimer proviennent de lectures qui ont généralement peu de rapport avec le sujet, voire pas du tout. Le cinéma est sans doute le seul art sur lequel je peux prétendre avoir un avis plus “autorisé”, car il me passionne et est pour moi un sujet de travail. J’admets que plutôt que de compulser une documentation complète, j’ai opté pour une réflexion intuitive dépourvue de l’érudition à laquelle on confère habituellement l’autorité. Ce choix relève en partie du fait que pareille recherche serait laborieuse et que je ne suis pas sûr d’être disposé à la mener. Cette disposition qui me fait défaut est certainement en partie intellectuelle mais aussi relative à la préoccupation qui la commanderait. En effet, l’art est une question certes passionnante mais susceptible de préoccuper nos esprits aussi longtemps qu’on s’intéresserait à elle. Je fais donc le choix de ne pas trop m’y attarder, au risque de répéter maladroitement ce que d’autres auraient déjà dit ou invalidé. En formulant de la sorte une idée qui est mienne, je veux surtout me donner l’occasion de “vider mon sac” sur la question pour, finalement, expliquer et fonder ma posture politique sur le sujet.

Ce qui suit pourra sembler très éloigné des préoccupations politiques, marxistes et révolutionnaires. Cela sera peut-être décevant et pourrait passer pour une prise de tête conceptuelle un peu vaine. Surtout, j’énonce péremptoirement plein de choses fort discutables qui mériteraient peut-être d’être creusées, développées et solidement étayées. Mais comme la question est extrêmement vaste, je prends le parti de parler de ce qui me semble essentiel et d’abandonner toute une série d’angles d’attaque pourtant passionnants : la question de la mimesis (l’art doit-il représenter le réel ?), de la fiction (tout art est-il fictif ?), du plaisir que produit l’art, mais aussi de sa dimension économique (quid de l’art dans le système marchand capitaliste ?). Dans ce texte, le chemin qui va de l’art à la politique peut sembler tortueux. L’approche politique de l’art y occupe une place marginale mais il m’a semblé important d’établir les éléments propres à l’art qui justifient ma conclusion. Dans celle-ci, j’ai surtout cherché à clarifier les éléments qui, au sujet de l’art, me semblent devoir occuper, voire inquiéter, ceux qui contestent le système capitaliste dans lequel nous baignons.

L’impossible définition

Vouloir définir l’art est un exercice dont le résultat m’apparaît presque toujours insatisfaisant. Une première méthode consisterait à tenter de décrire non pas l’art mais les arts. Cependant, dresser cette liste semble rapidement se heurter au fait que de tous temps, les hommes ont manifesté leur génie artistique en trouvant de nouvelles manières de faire de l’art, et donc, en inventant sans cesse de nouveaux arts. La moindre innovation technologique est un prétexte et mieux encore, la moindre contrainte semble, elle aussi, pouvoir produire son art. Nous ne pourrons parler ? Nous serons mimes. Nous ne pouvons nous battre ? Nous danserons (je pense à la capoeira). Illimités, les arts dont on a pu, parfois, croire qu’ils permettraient de cerner l’art, s’avèrent, au contraire, souligner l’infinitude du champ de la création artistique.

On serait alors tenté de trouver dans tous les arts la caractéristique unique qui leur serait commune et qui, ce faisant, serait l’essence de l’art. Cette tentative, c’est l’esthétique. Pour qu’il y ait art, il faudrait qu’il soit, d’une manière ou d’une autre, agréable, à l’esprit humain (1). L’art ne serait donc que le beau, il s’offrirait au jugement de l’esthétique qui le qualifierait d’être ou non un art. Mais on ne sort pas vraiment du problème. Les goûts et les couleurs ne se discutent pas et si le proverbe est à ce point invoqué c’est bien que l’esthétique est une bataille que personne ne peut prétendre remporter. Et tous les arts répondraient-ils de près ou de loin à une esthétique ? Si l’esthétique est simplement le beau, au sens où la chose est agréable aux sens, beaucoup d’œuvre en échappent. Souvent, un film ne sera pas jugé pour ses qualités esthétiques mais pour sa capacité à divertir. De même en est-il de certaines musiques (le hardcore, la techno,…), appréciées pour les sensations qu’elles procurent et qui trouveraient leurs fondements dans la transe ou le vertige plutôt que dans l’harmonie. Mais on pourrait contre-argumenter en disant que l’esthétique est l’ensemble des critères qui font qu’une oeuvre est appréciée. Comment en arriverait-elle à distraire ? Comment produit-elle le vertige ? Pourquoi cette toile plaît-elle à l’oeil ? L’esthétique serait alors un domaine beaucoup plus vaste, aussi vaste que l’art puisqu’il s’étendrait jusqu’aux confins du plaisir que l’homme tire de l’art. Sous cet angle, alors effectivement, l’art est l’esthétique, et vice et versa. Nous voilà bien avancés.

Finalement, la seule manière de produire une définition qui ne risque pas d’être contestée est de sombrer dans la tautologie : l’art c’est l’art, ou plus exactement : il y a art quand on dit qu’il y en a. Son champ est donc potentiellement infini, tout pourrait devenir de l’art et on ne peut pas en faire, par avance, l’inventaire. Si elle peut paraître facile, ou un peu bête, cette manière de dire n’est pas pour autant dénuée de fondement car il apparaît impossible de certifier ce qui est ou sera de l’art parce qu’il s’agira toujours d’un jugement qui repose sur une appréciation subjective, individuelle, qu’on soit du côté de l’artiste ou du “spectateur”. Extrêmement générale, cette appréciation permet pourtant de tenter de désigner l’art dans son essence : il y a l’art lorsque quelqu’un l’a reconnu. Il n’existe donc qu’à travers la perception de l’homme, l’art n’existe pas par lui-même. Conséquence : il n’est pas nécessaire à l’art d’être connu d’avance par celui qui le perçoit. C’est dans l’esprit humain qu’il survient, pas en amont. L’art est une chose perçue subjectivement par l’homme. Mais qu’est-ce que cette chose qui s’actualise dans la subjectivité individuelle ?

L’art comme signification potentielle

Ma proposition au sujet de l’art est qu’il survient lorsqu’une expérience du monde s’exprime ou se perçoit subjectivement à travers quelque chose, qui est l’œuvre d’art. L’art est ce qui accueille et génère, tant pour celui qui le crée que pour celui qui le perçoit, une impression, un sentiment, un ressenti, un transport… quelque chose qui échappe à la connaissance préalable qu’on a du monde. L’art est toujours quelque chose qui est de l’ordre de la surprise, de la fulgurance. Il est un mystère qui s’anime lui-même (2).

Du point de vue de l’artiste, l’art serait une tentative d’exprimer une perception qui est la sienne, son champ recouvre donc tout ce qu’il est possible de percevoir – intelligiblement ou non – du monde, de la société, des autres, de soi… et des rapports entre ces éléments. Cette expression vient véritablement au monde via un travail de médiatisation et de formalisation qui produit l’objet d’art en lui-même : le texte, le film, le tableau, la musique, le spectacle, toute chose qui permet de devenir un support à une communication et donc, un médium.

L’art est communication

Du point de vue de la communication, la particularité de l’art est qu’il communique en utilisant des langages (au sens le plus large du mot, celui du système conventionnel de signes vocaux et/ou graphiques (3)) qu’il détourne ou qu’il épaissit. L’art apparaît lorsque la signification conventionnelle, objective, d’un message laisse entrevoir une signification subjective d’autre chose qui complète le message (voire qui le modifie complètement). La création artistique pourrait donc être le fait d’inventer une autre manière de communiquer quelque chose qui ne se laisse pas exprimer par les seuls moyens langagiers reconnus comme objectifs. L’art ne s’offre pas sans ambiguïté à l’entendement humain. Il a une part d’objectivité, qui est le support de sa communication, mais son sens est ailleurs, au-delà du sens langagier.

Contrairement aux langages qui objectivent le sens en tendant à rendre transparent les médiums qu’ils utilisent, l’art cherche à faire impression et tire sa force du médium lui-même. Il serait un système de signes non convenus, peut-être un système de signes potentiels, et c’est de l’impression qu’il induit que naîtrait – que s’actualiserait – le sens artistique du message : le signifiant produit le signifié. C’est un procédé qui caractérise sans doute tous les arts : la poésie utilise la langue, le cinéma la grammaire audiovisuelle, la peinture des moyens figuratifs, le théâtre est multimédiatique et donc multilangagier, la BD combine figuratif et textes, etc. Mais il en va aussi de même pour les arts non narratifs, l’architecture, la couture ou encore la cuisine qui ne manquent pas d’utiliser des signes pour s’exprimer.

Quid alors de l’art abstrait ? On peut d’abord soupçonner que l’abstraction artistique absolue (au sens où l’art n’existerait que par lui) n’existe pas, il y aura toujours une intention en amont de l’œuvre, quelque chose qui enferme l’objet d’art dans un état culturel. Et quand bien même l’œuvre serait-elle inintelligible et incommunicable (et donc abstraite de tout formalisme langagier), il y aura toujours une interprétation de la chose artistique, sans laquelle, sans doute, cette chose ne saurait être qualifiée d’art par la société qui la réceptionne. Avant même de chercher le sens, on cherchera le signe (comme le font peut-être les archéologues face aux objets auxquels ils sont confrontés).

L’art à la réception

Comme il n’y a pas de communication sans récepteur, il n’y a pas d’art sans public (l’artiste pouvant être le premier spectateur de son art (4)). La réception de l’oeuvre ne dépend pas de l’artiste mais de l’intelligibilité de la chose exprimée. Avec ce paradoxe que l’art n’étant pas objectivement intelligible (sinon il ne serait pas art mais simple message), il convoque autant la subjectivité du spectateur qu’il est le produit de la subjectivité de l’artiste. Un objet d’art sans spectateur, ce n’est pas de l’art. La communion de l’artiste et d’un public naîtra donc d’un rapport intersubjectif entre les deux (l’abstraction n’étant alors que le degré le plus faible de l’intersubjectivité puisqu’elle lutte contre la communication en évadant l’œuvre du langage). L’art comme signe collabore avec le spectateur pour créer le sens. Le génie d’un artiste tient donc autant de la force créatrice de sa subjectivité que de la manière dont il utilisera les langages pour influencer la subjectivité de son public. D’une certaine manière, c’est en réussissant à communiquer sa propre perception du monde, que l’artiste accède véritablement à ce statut auprès d’un public. Transmettre l’incompréhensible, évoquer la potentialité de quelque chose, voilà peut-être ce qui motive l’artiste. Mais en réalité, le mouvement est inverse. L’art se fonde dans la perception du spectateur, par son soupçon de la potentialité d’un signe et grâce au transport qui le frappe lorsqu’il croit découvrir ce qui ne se montre pas.

La place du public et la question de la réception sont régulièrement négligées malgré qu’elles soient fondamentales. Sans cesse en quête d’une vérité objective qui pourrait lire dans l’œuvre (au moyen par exemple de la dimension métrique de son esthétique : “les règles de l’art”), les critiques et les esthètes en viennent à construire l’artiste en lui prêtant des intentions et en saisissant sa psychologie pour, finalement, produire une représentation de cet artiste (5) destinée à éclairer ses intentions afin d’isoler ce qui serait le sens objectif de l’œuvre (6). Rares sont les commentateurs de l’art qui admettent qu’il tire son existence non d’un artiste mais, au mieux de la communication entre lui et un public et, au moins, du seul public à défaut d’artiste (comme l’observateur d’un beau paysage (7)). Cette angoisse de l’intention de l’artiste est sans doute bien normale si l’on perçoit l’art comme une communication. Sans doute traduit-elle la préoccupation de l’intelligibilité de la communication : si on nous parle, c’est qu’on a quelque chose à nous dire. Mais c’est bien les récipiendaires de l’art qui fondent le sens artistique. La réflexion sur l’art se présente alors comme un recyclage presque infini (une oeuvre aura mille sens), un recyclage qui ne s’achèverait qu’au moment purement théorique où la subjectivité qu’elle contient est réduite à une vérité objective. L’objet d’art deviendrait alors un signe convenu : totalement compris, devenu langage, l’art est mort. Ainsi, l’art se joue-t-il, il est incertain (8), potentiel.

Objectivité, vérité, réalité

Lorsque je parle d’objectivité ou de vérité, je n’entends pas quelque chose de “réel”. J’entends par objectivité le fait qu’une interprétation ou une représentation du réel soit l’objet d’un consensus (9). Prenons un exemple langagier : objectivement, le mot ‘lapin’ désigne un lapin. C’est une vérité. Mais pour le non francophone, ce mot n’est sans doute pas compris pour ce qu’il désigne : pour lui, le sens du mot ‘lapin’ n’est pas objectif, il n’est pas vrai. Tant qu’il ne le connaît pas, le sens qu’il lui donne peut même être faux. Il n’est pas dans le vrai. Mais ce vrai n’est vrai que pour le francophone. Pour ce non francophone, le mot ‘lapin’ peut très objectivement désigner un chasseur. Et ce sera vrai pour lui.

La question de l’objectivité, de la vérité et de la “réalité” est un processus perpétuel et dialectique. Face au réel, on produit une interprétation qui a un moment devient une vérité qui est objective pour tout ceux qui la partagent (10). Cette vérité vivra sa crise et souffrira à son tour au point qu’on la dira subjective, c’est-à-dire suffisamment critiquable par une autre vérité qui semble plus conforme au réel qu’elle représente, plus conforme avec ce qu’on ressent subjectivement de ce que le réel provoque (et tous les hommes ne ressentent pas pareillement le même réel). Finalement, les subjectivités sont des objectivités qui ne font pas consensus. Elles deviendront peut-être objectives pour le plus grand nombre lorsqu’on aura oublié qu’elles sont la subjectivité du plus grand nombre, et c’est un processus interculturel qui peut être violent. L’objectivité est un état simple de la conscience, elle tend à ne pas faire crise, à se donner telle qu’elle, transparente : elle apparaît évidente (on a appris qu’elle l’est). La vérité, produite par l’objectivité, est un discours sur le réel.

Si la science évolue en quête de meilleurs discours sur le réel, l’art suit un chemin parallèle qui s’autorise à explorer les impressions laissées par le réel pour en produire des témoignages qui ne se fondent pas sur le consensus de l’objectivité mais qui proclament leur subjectivité. Si la science s’invente en permanence des méthodes pour certifier le vrai et forcer l’objectivation des interprétations du réel – en fondant le consensus par une méthode expérimentale du réel -, si la communication entre les hommes tend à se doter de langages qui ne prêtent pas à l’ambiguïté, l’art ne s’encombre ni de la certification de ses interprétations, ni de l’objectivité de ses représentations. Si la science et la communication tendent à combattre les subjectivités pour instaurer des vérités objectives, des savoirs, l’art fonctionne sur un autre plan : il est l’expression de l’incertain, du potentiel et de l’éphémère. Il est le lieu du fictif, l’art est une vérité qui se cherche et qui se donne à voir en doutant d’elle-même.

Petit retour sur l’esthétique

Dans le dispositif par lequel je suggère de cerner l’art, et qui se veut une perspective, et non un enclos, l’esthétique semble absente, voire disqualifiée. Pourtant, difficile de ne pas l’évoquer tant elle est au centre de la question de l’art au point qu’il y est souvent réduit. On peut retenir que l’esthétique, comme somme des critères qui font l’art, occupe en quelque sorte une place qui tient de l’inventaire. Au niveau individuel, elle n’est pas opérante puisque ces critères sont ceux de la subjectivité propre à chacun. Mais au niveau de l’homme au pluriel, elle tend à formaliser ces mêmes critères dans des lois dont la quête et les principes animent la philosophie de l’art (et cette discipline intellectuelle qu’est l’esthétique).

L’élaboration de cette esthétique (ou des nombreuses esthétique propres à chaque art ou à chaque genre) conduit à formaliser les normes selon lesquelles une oeuvre sera évaluée pour gagner le statut artistique qui lui sera attribué non plus par le seul individu mais par un groupe social, qui partage une certaine culture commune autour d’une forme d’expression artistique. Ces cultures esthétiques se superposent, s’emboîtent, s’influencent ou s’ignorent. La plupart des francophones savent ce qu’est le pied d’un vers, mais ils sont peu à apprécier les règles d’un genre cinématographique aussi précis que le péplum italien des années cinquante.

Pour ma part, je vais chercher à rester dans ma perspective qui est que l’art est une signification soupçonnée par la subjectivité de l’individu. Dès lors, l’art serait la somme de toutes ces significations potentielles que l’homme a cru, croit et croira discerner dans ce qui l’entoure. Mais supposons que ce qui préoccupe l’homme soit la négociation permanente entre ce qu’il perçoit du monde et le savoir qu’il partage avec les autres. Dans ce processus qui va de la subjectivité individuelle à l’objectivité culturelle (sociale), l’esthétique occupe une place intermédiaire.

Il s’agirait alors d’une grammaire partagée et partageable qui permettrait aux hommes de soumettre au jugement culturel de leurs pairs ce qu’ils ont relevé comme étant de l’art pour en qualifier ou en disqualifier son potentiel de signification. L’esthétique serait en quelque sorte un tamis culturel par lequel passe le mouvement qui va de la subjectivité individuelle à l’objectivité culturelle. L’art naît d’une expérience individuelle qui tentera de se partager par l’argument de l’esthétique. L’esthétique serait la sensibilité culturelle que l’art doit frapper pour être reconnu comme tel par la communauté des hommes. En d’autres termes : un homme ne saurait partager l’art qu’il a perçu qu’au moyen de l’esthétique, qui est, au fond, non la grammaire du discours que tient l’art sur le réel, mais celle du discours que les hommes tiennent sur l’art.

Au sens où l’esthétique fonctionne comme un dénominateur de l’art commun aux hommes, et que les hommes partagent tous certaines caractéristiques (je vous laisse le soin de les désigner), sans doute existe-t-il une esthétique universelle. Mais l’esthétique existe sur une échelle qui va de l’universel (tous les hommes, en tous temps et en tous lieux) au particulier et ne s’exprime véritablement que là où une certaine culture est la plus cohérente ou la plus forte.

L’art et la politique
Proposé de la sorte, l’art n’est pas un problème. Il apparaît comme une conquête culturelle de l’homme dont il incarne la puissance imaginative et créatrice. Pourtant cela ne dispense pas l’art d’avoir un rôle politique.
En tant que moyen pour les hommes d’explorer et d’exprimer la réalité, et de tenir sur elle un discours, l’art participe pleinement aux puissances qui s’exercent sur la conscience que l’individu a du réel : la société dont il est membre et le monde dans lequel il vit. L’art est un outil pour les idéologies, il est un fond pour le savoir humain et est donc un enjeu de pouvoir. La nature subjective de l’art ne le place donc pas systématiquement dans une posture subversive. Ce n’est pas parce qu’il exprime différemment les choses qu’il contredirait automatiquement les opinions qui dominent. Par nature, l’art n’est pas révolutionnaire.

Au contraire, l’art est un outil puissant pour les idéologies qui contribuent à maintenir l’exploitation d’une partie de l’humanité par une autre. La puissance subjective que l’art sollicite peut redoubler les discours objectifs de discours subjectifs, les renforçant. Le sacré, par exemple, est à ce titre une forme d’art. Les dispositifs rituels entraînent ceux qui y participent à entrevoir des sens qui ne sont pas énoncés mais qui sont suggérés, invisibles et généralement inexprimables (la nation, les hauteurs, la dignité, la supériorité, le divin, etc.). La puissance artistique du rituel épouse très bien les intérêts des idéologies qui dominent et peut, par des procédés subjectifs, renforcer leur emprise voire incarner illusoirement leur objectivité pour la fonder (11).

De manière plus ordinaire, l’art participe du quotidien en étant pratiqué par le plus grand nombre. Ceci étant dit, l’art est aussi un moyen de communication. Dès lors, il est indissociable des relations humaines (puisqu’il n’existe que par la relation à l’homme).

Il y a cependant deux dimensions qui donnent potentiellement à l’art un rôle contestataire ou progressif. Il se présente parfois comme une alternative aux systèmes de communication dominants. La maîtrise des langages est à la fois un enjeu pour les élites mais également un moyen de renforcer leur pouvoir. En “parlant” mieux les langages qu’elles ont produit et qu’elles maîtrisent, elles façonnent les communications à leur profit tout en compliquant l’expression des alternatives. Ainsi, les langues vernaculaires parlées par les élites ont bien souvent été les passages obligés de ceux qu’elles dominent (le latin, le français, l’anglais, etc. et tous les jargons : juridiques, scientifiques…). Mais il ne s’agit pas que du langage parlé (ou écrit), il en va de même pour toutes les esthétiques qui finissent par caractériser tel art ou tel autre (en matière de peinture, de cinéma, de théâtre, etc. et qui tendent à les rendre objectifs (12)) et qui sont autant de savoirs qui instaurent des distances sociales (car leur maîtrise contribue aux identités de classe) et qui les maintiennent (13).

Dans ces configurations, l’art en tant que moyen de communication informel s’offre comme une alternative et peut potentiellement devenir le moyen par lequel communiqueraient entre eux d’autres groupes sociaux qui composent la société. Les langages “populaires” sont d’ailleurs souvent artistiques en ceci qu’ils sont moins formalisés que les langages dominants (ce sont des systèmes moins conventionnés). Mais ils sont aussi plus fragiles car ce qu’ils médiatisent tirent une bonne part des subjectivités – c’est-à-dire de ce qui s’exprime en dehors des objectivités de l’idéologie – de ces groupes sociaux et de leur culture au sens large. Les subjectivités, et les cultures dont elles découlent, sont sensibles aux situations dans lesquelles elles baignent, les arts qui dépendent d’elles et qui ne s’appuient pas sur des codifications convenues, institutionnalisées, sont moins pérennes (c’est notamment tout l’enjeu que constitue la sauvegarde des traditions orales).

Si l’art permet à ceux qui ne dominent pas l’énonciation des savoirs d’exprimer tout de même ce qu’ils ressentent ou ce à quoi ils aspirent, il peut aussi s’allier au progrès lorsqu’il permet l’expression de ce qui est réprimé par ailleurs. On sait l’usage puissant qu’il peut être fait de la métaphore artistique en termes de propagande. L’art comme expression des impressions subjectives que produit le réel sur l’homme permet aux contradictions sociales de s’exprimer. Tout ce que le dispositif des savoirs dominants ne parvient pas à dompter ou tout ce contre quoi les idéologies s’opposent – notamment ce qu’elles tentent de masquer – trouve dans les arts un canal d’expression. Ceci ne veut pas dire qu’en exprimant ce qui est tu ou contrarié, les arts soient des alternatives aux idéologies. En effet, le discours que l’art tient n’est pas forcément opérant comme alternative. Plus simplement, il contribue à faire vivre ce que les idéologies structurantes n’ont pas réussi à domestiquer. D’une certaine manière, l’art est le portrait du réel au sens le plus large, au-delà des discours et des raisons du siècle. Il ratisse large : il est la moisson des réalités offerte aux meules des interprétations (14).

Conclusion : que faire des arts ?

1) L’art est un instrument pour les propagandes. Le processus qui le constitue le rend efficace quand il s’agit de dominer la raison, de passer au-dessus d’elle. Il suscite des émotions qui peuvent servir les pouvoirs, il est au cœur des dispositifs de domination, de dressage, des consciences. Il côtoie le savoir dont il peut épaissir les forces suggestives : il subjugue. Et cela requiert l’attention de ceux qui contestent.

2) Au titre de processus médiatique, il peut échapper aux contrôles des raisons qui règnent en permettant de créer d’autre canaux de communication entre les hommes, des canaux qui reposent précisément sur la créativité humaine et qui peuvent échapper aux dispositifs qui visent à les encadrer et à les prévoir. Mais ces canaux restent fragiles tant qu’ils ne reposent pas sur des conventions, ce qui est à la fois leur force – ils échappent aux idéologies dominantes – et leur faiblesse – ils peuvent être aisément détournés de leur signification première (FIG. I).

3) L’art ne cesse d’exprimer le réel tel qu’il est ressenti par l’homme. Dès lors, il peut contribuer à dire les contradictions et à les souligner avec force, avant même qu’elles soient comprises et que leurs interprétations soient partagées. Il reste alors aux hommes à comprendre les arts, ce qui revient – finalement – à vouloir les vaincre au profit d’un nouveau savoir.

Daniel

(1) Ainsi, pour Kant, “la beauté artistique est une belle représentation d’ une chose”. Emmanuel Kant, Critique de la faculté de juger, 1993, Librairie philosophique J. Vrin.

(2) Si ce mystère est considéré hors de l’ homme qui lui donne vie, l’ objet d’ art devient un fétiche: il aurait son mystère en lui.

(3) Voir la définition du trésor de langue française: http://atilf.atilf.fr/

(4) C’ est la philosophie du film Blow Up d’ Antonioni où les artistes trouvent le sens de leur oeuvre après l’ achèvement de celli-ci. Le photographe imagine le crime derrière l’image. N’ayant compris la force de sa propre subjectivité, il s’enferme dans la résolution du meurtre, qui est l’intrigue du film (mise en abyme par l’usage du hors-champ que le lieu par excellence de la subjectivité du spectateur). Son ami peintre, au contraire, sait que le sens vient après l’oeuvre: il pense ses oeuvres lorsqu’il  les contemple achevées. Tout auteur qu’il soit, il adopte la posture du public pour apprécier l’art dont il est pourtant le producteur.

(5) Les artistes eux-mêmes présentent ce paradox de construire parfois, au fil de leur oeuvre, un langage qui veut tout dire, tout de suite. ke style d’ un artiste finit par constituer son art. Son esthétique devient sa propre représentation. D’autres artistes suspendent leur production parce qu’ils n’ont plus rien “à dire”.

(6) Combien de livres n’aurait pas été écrits sans cette quête du portrait de l’artiste par lequel on explique son oeuvre?

(7) Frappé par la beauté de l’art, le théologien n’est peut-être qu’un historien de l’art qui s’ignore. Comme le photographe du film Blow Up d’Antonioni, il croit voir le crime et cherche son auteur. Il ne comprend pas qu’il est l’auteur du crime, c’est lui qui donne sa beauté au paysage.

(8) Le technicien de l’art ne joue pas, il exécute (ce qu’on dit d’un musicien “sans âme” par exemple)

(9) Comme le signal le Trésor de langue francaise au sujet de l’objectivité: “Qualité de ce qui donne une représentation fidèle de la chose observée.”

(10) Nietzsche disait: “La vérité est une multitude mouvante de métaphores, de métonymies, d’antropomorphismes, bref, une somme de relations humaines qui ont été rehaussées, transposées, et ornées par la poésie et par la rhétorique, et qui après un long usage paresse établies, canoniques et contraignantes au yeux d’un peuple: les vérités sont des illusions dont on a oublié qu’elles le sont, des métaphores usées qui ont perdu leur force sensible, des pièces de monnaie qui ont perdu leur empreinte et qui entrent dès lors en considération, non plus comme pièces de monnaie, mais comme métal.” Friedrich Nietzsche, Ecrits Posthumes, Paris, Gallimard, 1975.

(11) Un des exemples les plus évidents est le cinéma de Leni Riefenstahl, mis au service du mtyhe du surhomme nazi. Mais l’émotion suscitée par les arts est en permanence exploitée pour justifier les idéologies. Plus quotidiennement, on peut s’en apercevoir en analysant de près un reportage de journal télévisé. Combien d’images complètent réellement l’information textuelle en apportant une information supplémentaire? Très peu en vérité: les images, souvent d’archives, ont pour fonction essentielle de redoubler  le sens du commentaire à l’aide de l’émotion, des stéréotypes, des motifs. Un reportage télévisé fera plus forte impression, précisément parce qu’il s’appuie sur des procédés qui impliquent plus le spectateur dans la production du sens.

(12) La formalisation des courants artistiques est d’ailleurs un processus qui fait crise, dialectique, qui finit toujours par produire la contestation qui le dépassera. L’histoire des arts est jalonnée de ruptures, souvent violentes, qui séparent ce qui sera désormais l’ancien de ce qui se présentent comme le nouveau. Il en est ainsi de la littérature romantique face à la littérature ou au théatre classique (la bataille d’Hermani de Victor Hugo), de la Nouvelle vague contre le “cinéma de papa”, du punk contre le rock progressif, etc.

(13) La maîtrise des “règles de l’art” participe des cultures de classe. Au sujet de l’art, l’érudition ressemble souvent à une volonté de mieux connaître les arts. “Savoir apprécier” est une posture très identitaire, souvent snobe.

(14) “Ainsi, qu’il  soit peinture, sculpture, poésie ou musique, l’art n’a d’autres objet que d’écarter les symboles pratiquement utiles, les généralités conventionnelles et socialement acceptées, enfin tout ce qui nous masque la réalité même.” Henri Bergson, Le rire. Essai sur la signification du comique, Paris, 1950.

C'est tout le drame des slogans et de l'iconographie nés autour de mai 68. Dressés contre l'idéologie dominante et contre la société de consommation, ils sont rapidement devenus d'excellents supports publicitaires, détournés des oppositions qui les ont enfantés pour finalement soutenir leur contraire.

C'est tout le drame des slogans et de l'iconographie nés autour de mai 68. Dressés contre l'idéologie dominante et contre la société de consommation, ils sont rapidement devenus d'excellents supports publicitaires, détournés des oppositions qui les ont enfantés pour finalement soutenir leur contraire.





Revolte in Griekenland (2)

31 03 2009

22 maart 2009

Hey J.

Ik probeerde je eerder te contacteren, maar ik had je mailadres verkeerd ingegeven. Ik hoorde dat je graag een mail van me had gehad en hier is hij dan. Ik hoop, ik hoop dat ik je hiermee niet overdonder.

Ik vraag me af wat de mensen van het AK dachten van mijn voorstel tot het organiseren van een extra discussie over Griekenland. Ik kreeg immers maar antwoord van één iemand. Voor mij kan het nog steeds doorgaan, zeker na het grote artikel van gisteren in De Standaard. Schandalig vind ik het dat er in december en januari amper krantenberichten verschenen over de beweging. Als dat al gebeurde, werd de beweging voorgesteld als een hoop blinde rellen en inhoudloze confrontaties met de politie. Vandaag smeren de officiële media de tragische “staart” van de beweging breed uit: zinloze vernieling  van banken, bomaanslagen… De beweging draaide hier echter fundamenteel NIET om.

Vooral in de maand december, misschien ook in januari, verenigden studenten, scholieren, werkenden, werklozen, gepensioneerden… (= de arbeidersklasse) zich in autonome algemene vergaderingen, bijvoorbeeld aan de Polytechnische Universiteit van Athene. Ze discussieerden er over de oorzaken/voedingsbodem van hun woede en de revolte die eruit ontstond: werkloosheid, armoede, bestaansonzekerheid… Het ging niet om een revolte van louter anarchisten, daar leek iedereen het al over eens in de discussie op de Alternatieve Boekenbeurs, zelfs al hadden zij een grote invloed.

Of de gewelddadige confrontaties met de politie al dan niet terecht waren is moeilijk te zeggen. Ik vermoed dat er gegronde verdedigingsacties bij waren, maar ook zinloze vernieling van winkelruiten, auto’s… Ik weet nog steeds niet of het geweld wijst op een zwakte dan wel op een sterkte van de beweging. De vraag is echter of het geweld wel zo alom aanwezig was als burgerlijke media, maar ook anarchistische bronnen zeggen. Welke communiqués zijn geloofwaardig? Welke rapporten zijn representatief voor de beweging? Spreken die van het geweld? Zo niet, was het geweld dan wel algemeen? Zo ja, hoe dan? Welk geweld vonden zij terecht en welk niet? Welk geweld vinden wij terecht? Heiligt het doel de middelen? Legitiem geweld heeft volgens mij alles te maken met voor welke doeleinden, maar ook hoe ze wordt gebruikt.

Volgens mij heeft de kwestie van het geweld alles te maken met een krachtsverhouding tussen proletariaat en bourgeoisie. (Sorry, voor de grote woorden en abstracte formuleringen.) Hiermee bedoel ik geen militaire krachtsverhouding, maar een sociale en politieke krachtsverhouding. Ik geef toe dat ik zelf nog niet helemaal besef wat dit concreet betekent, vandaar dat ik niet veel verder geraak dan abstracte termen. Ik kan je in ieder geval al volgende artikels aanraden van de IKS over de kwestie van het geweld. Ze verschenen naar aanleiding van sabotage-acties in Frankrijk enkele maanden terug.

1. Sabotages des lignes SNCF: des actes stériles instrumentalisés par la bourgeoisie contre la classe ouvrière

http://fr.internationalism.org/icconline/2008/sabotages_sncf_des_actes_steriles_instrumentalises_par_la_bourgeoisie_contre_la_classe_ouvriere.html

2. Débat sur la voilence autour de notre article sur le sabotage des lignes SNCF (prmière partie)

http://fr.internationalism.org/icconline/2008/debat_sur_la_violence_autour_de_notre_article_sur_le_sabotage_des_lignes_de_la_sncf_1.html

3. Débat sur la violence (II): il est nécessaire de passer le faux dilème: pacifisme social-démocrate ou violence minoritaire

http://fr.internationalism.org/icconline/2009/debat_sur_la_violence_2.html

Last, but not least vind ik het ontzettend belangrijk dat de gebeurtenissen in een kader worden geanalyseerd van internationale heropleving van de arbeidersstrijd. Ik ben akkoord met de Internationale Kommunistische Stroming (IKS) die in haar artikels over Griekenland hierop de nadruk legt. In het International Review (theoretischer blad van de IKS) verscheen er een artikel over Griekenland dat een goed overzicht van de beweging geeft en haar sterktes: http://en.internationalism.org/node/2834. (Persoonlijke kritiek op het artikel is dat het weinig spreekt van de zwakheden. Er wordt ook niet ingegaan op het geweld.)

De analyse op een internationaal niveau vind ik ontzettend belangrijk, aangezien het kapitalisme mondiaal is en haar omverwerping enkel internationaal kan gebeuren. Er is maar één internationaal proletariaat, maar zij wordt verdeeld op ontelbaar veel manieren. Het nationalisme is misschien de meest gevaarlijke ideologie die de arbeidersklasse kan aantasten. Om te vermijden dat we hierin worden opgesloten is het best dat we ons niet te veel fixeren op de nationale bijzonderheden van Griekenland. De voedingsbodem voor revolte is immers internationaal. Alle lokale ervaringen moeten bijgevolg zo wijd mogelijk worden verspreid en bediscussieerd.

Vandaar dat ik het belangrijk vindt om discussie te voeren, standpunten te confronteren, opdat we ons de internationale ervaringen – van Griekenland, maar ook van Frankrijk , Spanje, Duitsland (ook aangehaald in Solidair, weekblad van de PVDA, 20 november 2008), Italië, VK, Nederland… – eigen maken. Een revolutie wordt immers niet in één manifestatie van protest gevoerd. Een revolutie wordt ook niet “ingevoerd” per decreet of met formele, welafgelijnde algemene stakingen of betogingen. Het is een proces van opkomende en neergaande politieke en economische strijd, waarbij elke beweging de volgende “voedt” met nieuwe ervaringen, waaruit nieuwe lessen kunnen en moeten worden getrokken, dit om het (klasse)bewustzijn te doen groeien en het revolutionaire proces te versnellen. Rosa Luxemburg beschrijft dit uitvoerig in haar boek “Massastaking, partij en vakbonden”.

Het spijt me als ik te langdradig was. Zie het als een uitgediept vervolg op vorige discussies.

Morgen (maandag) zou ik naar de ResPACT-drink gaan (aan de Universiteit van Antwerpen, stadscampus, 19u30). Ik heb daar afgesproken met iemand die me uitnodigde om samen met twee vrienden van hem een “kapitaal-leesgroep” te starten. Geen idee wat het wordt. Als je wil kunnen we morgen afspreken in Antwerpen om dit samen uit te pluizen. Je mag gerust andere mensen uitnodigen. Ik weet het, ’t is misschien een wat late uitnodiging, maar wie weet kan je toch.

Vriendelijke groeten,

Y.





Staat & Economie

2 02 2009

Volgende mail behandelt volgende vragen: Hoe gebeurt de economische overgang van het kapitalisme naar het communisme? Welke rol speelt de staat daarin? Welke relatie bestaat er tussen de staat en de economie?

3 november 2008

Joep Ys.,

Er bestaat een werk van de Groepen van Internationale Communisten (GIC) getiteld “Grondbeginselen van communistische productie en distributie” dat precies beantwoord aan de kritiek van het liberale studentenblad (http://lvsvantwerpen.be/index.php?option=com_myblog&show=Communisme-is-onmogelijk.html&Itemid=0). Het boek van de GIC geeft een meer afdoend antwoord over hoe een werkelijk communistische productie er dan wel moet uitzien, of ten minste, in welke richting ze moet evolueren en hoe die omwenteling moet gebeuren: van een economie met als motivatie de accumulatie van het kapitaal (laten we dat een “productiemaatschappij” noemen), naar een maatschappij met als motivatie bevrediging van de menselijke behoeften (wat ik een werkelijke consumptiemaatschappij noem en dat is dan geen negatief woord). Jammer genoeg vond ik het boek niet meteen op het internet en kan ik u momenteel enkel een zelfgetypte inhoudsopgave doorsturen. Ge kunt echter al raden waarover het gaat a.h.v. de titels.*

Het is zeker dat die liberale kritiek zeer terecht is voor de zogenaamd “communistische” regimes met als schoolvoorbeeld het Stalinistische Rusland die in feite maar een vorm van zeer sterk gecontroleerd en gecentraliseerd kapitalisme zijn, typisch voor staten die economisch zwak staan. Opdat Rusland, China, Cuba, Cambodja… zouden kunnen concurreren met de West-Europese landen en de VS kunnen zij geen of maar een beperkte vrijheid van ondernemen toestaan, aangezien elke misstap een significante verzwakking van hun economische positie op wereldvlak zou betekenen. Maar in een toestand van toenemende economische en imperialistische spanningen, m.a.w. in de vervalfase van het kapitalisme, is die tendens tot verstaatsing algemeen, enkel is het in die zwakkere landen duidelijker.

De betrekkingen tussen de staat en de burgermaatschappij

In de opkomstperiode van het kapitalisme bestond er een duidelijke scheiding tussen politiek (een terrein voorbehouden aan specialisten in staatsmanschap) en economie, wat het gebied van het kapitaal en de afzonderlijke kapitalisten bleef. In deze periode was de staat, hoewel hij er al toe neigde zich boven de maatschappij te verheffen, nog steeds voor het overgrote deel overheerst door belangengroepen en fracties van het kapitaal die zich vooral uiten in het wetgevende deel van de staat. De wetgevende macht overheerste nog steeds overduidelijk de uitvoerende: het parlementaire stelsel, de vertegenwoordigde democratie, bezaten een werkelijkheidsgehalte en vormden de arena waarbinnen de verschillende belangengroepen elkaar te lijf konden gaan.
Omdat de rol van de staat het behoud was van de sociale orde in het belang van het kapitalistische stelsel als geheel en op de lange termijn, kon hij ook enkele hervormingen doorvoeren ten gunste van de arbeidskrachten en tegen de barbaarse excessen in de uitbuiting van de arbeiders, te wijten aan de onverzadigbare onmiddellijke vraatzucht van de afzonderlijke kapitalisten (bijvoorbeeld de ‘Tien-Uren-Wet’ in Groot-Brittannië, de wettelijke beperking op de kinderarbeid, enzovoort).

De periode van het kapitalistisch verval wordt gekenmerkt door het opslorpen van de burgerlijke maatschappij door de staat. Daardoor verloor de wetgevende macht, die oorspronkelijk de rol had de maatschappij te vertegenwoordigen, iedere betekenis ten opzichte van de uitvoerende macht, die bovenaan de staatspiramide staat. In deze periode worden politiek en economie verenigd: de staat wordt de belangrijkste kracht in de nationale economie, en zijn werkelijke beheerder. Hetzij door geleidelijke integratie (de gemengde economie), hetzij door bruuske omwentelingen (de volslagen verstaatste economie) houdt de staat op een vertegenwoordiging van kapitalisten en belangengroeperingen te zijn: hij wordt de collectieve kapitalist die alle afzonderlijke belangengroepen onderwerpt aan zijn ijzeren wet. De staat, als verwerkelijkte eenheid van het nationale kapitaal, verdedigt de nationale belangen binnen het blok waartoe het behoort en tegen het rivaliserende blok. Verder neemt hij rechtstreeks op zich de uitbuiting en de onderwerping van de arbeidersklasse te verzekeren.”

De proletarische strijd tijdens de vervalperiode van het kapitalisme, Internationale Revue – 2004, nr. 16, http://nl.internationalism.org/booktree/553

Een echte vrije markt bestaat dus niet meer en kan ook niet meer bestaan. Voorstanders hiervan denken nog in de 19de eeuw te leven. Zo zijn de argumenten van de altermondialisten/antiglobalisten een illusie voor de arbeidersklasse, aangezien zij schreeuwen om meer staatscontrole over “onverantwoordelijke” multinationals. Maar vandaag is “vadertje staat” misschien zelfs de grootste uitbuiter van haar bevolking. In de 19de eeuw had zij een eerder regulerende werking, hoefde zij zich ook niet te moeien met economische kwesties en kon de vrije markt inderdaad floreren.

Ik geef toe dat heel deze uitleg aan diepgang mist, maar als je het verschil tussen een economie van vrije markt en een kapitalistische planeconomie wil begrijpen, is het belangrijk om ook de economische en politieke rol van de staat te snappen.

Hieronder nog de positie van de IKS over wat de staat zal moeten zijn tijdens de overgangsperiode van kapitalisme naar communisme en hoe ze zal moeten verdwijnen. Het betreft een resolutie die na veel discussies werd aangenomen in 1979, maar er bestaan binnen de IKS verschillende standpunten over de rol en de functionering van de staat tijdens die periode. De brochure hierover (met alle argumentatie) bestaat jammer genoeg nog niet in het Nederlands, wel in het Frans, misschien in het Engels (de site van de ICC is nogal chaotisch). Er is ook een serie artikels die nu verschijnen in de Internationale Revue over de transitieperiode, die minder abstract zijn dan deze abstracte samenvatting.

Ik geef toe, ik heb dat ook allemaal niet gelezen, maar dan hebt ge al verwijzingen voor latere lectuur.

“The Period of Transition from Capitalism to Socialism

Resolution accepted at the 3rd Congress of the ICC (1979)

During the period of transition the division of society into classes with antagonistic interests will give rise to a state. Such a state will have the task of guaranteeing the advances of this transitional society both against any ex­ternal or internal attempt to restore the power of the old exploiting classes and main­taining the cohesion of society against any dis­integration of the social fabric resulting from conflicts between the non—exploiting classes which still subsist.

The state of the period of transition has a certain number of differences from previous states:

1. For the first time in history, it is not a state in the service of an exploiting minority for the oppression of the majority, but is on the contrary, a state in the service of the major­ity of the exploited and non—exploiting classes and strata against the old ruling minority.

2. It is not the emanation of a stable society and relations of production, but on the contrary of a society whose permanent characteristic is a constant transformation on a greater scale than anything else in history.

3. It cannot identify itself with any economi­cally dominant class because there is no such class in the society of the period of transi­tion.

4. In contrast to states in past societies, the transitional state does not have a monopoly of arms.

For all these reasons, marxists have talked of a “semi-state” when referring to the organ that will arise in the transition period.

On the other hand, this state still retains a number of the characteristics of past states. In particular, it will still be the guardian of the status quo, the task of which will be to codify, legalise and sanction an already exist­ing economic order, to give it a legal force which has to be acknowledged by every member of society.

In the period of transition, the state will tend to conserve the existing state of affairs. Be­cause of this, the state remains a fundamentally conservative organ that will tend:

a) not to favour social transformation but to act against it;

b) to maintain the conditions on which its own life depends: the division of’ society into classes;

c) to detach itself from society, to impose itself on society, to perpetuate its own existence and to develop its own pre­rogatives;

d) to bind its existence to the coercion and violence which it will of necessity use during the period of transition, and to try to maintain and reinforce this method of’ regulating social relations;

e) to be a fertile soil for the formation of a bureaucracy, providing a rallying point for elements coming from the old classes and offices which have been destroyed by the revolution.

This is why from the beginning marxists have always considered the state of the period of transition to be a “scourge”, a “necessary evil”, whose “worst sides” the proletariat will have to “lop off as much as possible” (Engels). For all these reasons, and in contrast to what has happened in the past, the revolutionary class cannot identify itself with the state in the period of transition.

To begin with the proletariat is not an econom­ically dominant class, either in capitalist soc­iety or the transitional society. During the transition period it will possess neither an economy nor any property, not even collectively: it will struggle for the abolition of economy and property. Secondly, the proletariat, the communist class, the subject which transforms the economic and social conditions of the tran­sitional society, will necessarily come up against an organ whose task is to perpetuate these conditions. This is why one cannot talk about a “socialist state”, a “workers’ state” nor a “proletarian state” during the period of transition.

This antagonism between the proletariat and the state manifests itself both on the immediate and the historic level.

On the immediate level, the proletariat will have to oppose the encroachments and the pressure of a state which is the manifestation of a society divided into antagonistic classes. On the historic level, the necessary disappearance of the state in communist society, which is a perspective which marxism always defended, will not be the result of the state’s own dynamic, but the fruit of the pressure mounted on it by the proletariat in its own movement forward, which will progressively deprive it of all its attributes as the progress towards a classless society unfolds. For these reasons, while the proletariat will have to use the state during the transition period, it must retain a complete independence from it. In this sense the dic­tatorship of the proletariat cannot be confused with the state. Between the two there is a constant relation of force which the prole­tariat will have to maintain in its favour: the dictatorship of the proletariat is exerted by the working class itself through its own independent armed unitary organs: the workers’ councils. The workers’ councils will partici­pate in the territorial soviets (in which the whole non—exploiting population is represented and from which the state structure will emanate) without confusing themselves with them, in order to ensure its class hegemony over all the structures of the society of the transitional period.”

http://en.internationalism.org/pamphlets/transition

Groeten,

Y.

*Ondertussen vond ik een Engelse versie op  http://www.kurasje.org/arksys/archset.htm, onder “Texts”, 1930, Fundamental Principles of Communist Production and Ditribution – GIK (Holland)





Kunst & Revolutie

2 02 2009

Hieronder volgt een inleiding over kunst, geschreven door een kennis die hem voorlas tijdens een discussiedag (ontmoetings- en discussiedag met de IKS in augustus 2008).

Kan kunst de wereld veranderen, kan kunst een invloed uitoefenen op de maatschappelijke sociale bewegingen?

De gebruikelijke definitie van kunst slaat enkel op de schone kunsten, namelijk een vormgeving die bevrijd is van opgelegde eisen. Zoals de kunstenaar vorm geeft aan de kleuren op een doek naar zijn eigen visie, of de muzikant geluid omzet in concerten naar zijn eigen gevoel, of de poëet het blad verrijkt met zijn woorden naar zijn eigen fantasie. De vormgeving in de schone kunsten vereist arbeid en beoogt een artistieke waarde, het is daarom een productieve activiteit. Deze definitie van schone kunsten bestaat enkel als tegenhanger van een vuile kunst, namelijk de productie die maar één doel voor ogen heeft, het winstbejag. Men kan inderdaad stellen, dat wanneer de mens bevrijd is van onderdrukkingen, zoals de loonarbeid en de fysieke noden, zij een creatieve en plezierrijke activiteit nastreeft, al haar producten zijn dan ‘schone kunst’. Maar deze vrijheid staat de burgerij niet toe, als heersende klasse in het kapitalisme legt ze haar productiewijze op en met de uitbreiding van de massaproductie wordt de creativiteit van de mens steeds kleiner en geïsoleerder.
Deze inleiding is hoofdzakelijk beperkt tot de studie van kunst in het kapitalisme, haar rol in deze maatschappij is omwille van de ongelijke arbeidsverdeling volledig verschillend als in een klasseloze maatschappijvorm als het communisme, waar alle productie artistiek en menselijk kan zijn. Zoals Trotsky het stelt in Literatuur en Revolutie:
“ Het is fundamenteel verkeerd om de bourgeois cultuur en bourgeois kunst te vergelijken met de proletarische cultuur en kunst. De laatste zal nooit bestaan, want het proletarische regime is tijdelijk en verdwijnt. De historische betekenis en de morele grootheid van de proletarische revolutie bestaat uit het feit dat het de fundamenten legt voor een cultuur die boven alle klassen uitsteekt en die de eerste werkelijke menselijk cultuur zal zijn.” [Inleiding, vertaald uit het Engels van http://www.marxists.org]
Eerst wordt het omgekeerde en simpelere vraagstuk bestudeerd: wat is de invloed van de maatschappij op de kunst? Deze is overheersend en zal altijd bestaan, het is een direct gevolg van het feit dat de vormgeving gebeurt in functie van de productieverhoudingen en de productiewijze van de maatschappij. Als men de architectuur als voorbeeld neemt: de Egyptische piramide is een verheerlijking van de veroverde positie van de farao en haar ééntonige vorm weerspiegelt de lusteloosheid van haar bouwer, de slaaf. De invloed is zo enorm dat het enkel mogelijk is om de kunstgeschiedenis te verstaan in het licht van de maatschappelijke geschiedenis. Menige boeken, zowel in de arbeidersliteratuur als de bourgeois-literatuur, zijn aan dit onderzoek gewijd.
De microscoop wordt nu omgedraaid en we kijken naar de ogenschijnlijke minuscule invloed die de kunst op de maatschappij kan hebben. Deze invloed is indirecter en discreter: het is simpel om in te zien dat een kunstobject op zich de maatschappijstructuur niet kan veranderen, maar hoe dat dit kunstobject de toeschouwer beïnvloedt of wanneer de toeschouwer zich wilt laten beïnvloeden, is een moeilijkere kwestie. In ieder geval is hiermee al een deel van de vraagstelling beantwoord: in een maatschappij waar de artistieke creatie niet genesteld is in de dominante productiewijze, waar ze verdreven wordt tot een marginale rol, daar kan ze hooguit het bewustzijn beïnvloeden en niet de productieverhoudingen en productiewijze van de maatschappij wijzigen. Merk op dat deze invloed vaak wordt onderschat; de vraagstelling heeft in zich al dit vooroordeel: de vraag is niet hoe de kunst invloed heeft, maar of ze dat eigenlijk wel kan.
De productie met een opgelegde vuile winstlogica leidt natuurlijk tot een grauwe en monotone arbeid met oncreatieve producten, terwijl dat de productie met een vrije en schone esthetieklogica, een plezierrijke en creatieve ervaring biedt. Er zijn pogingen geweest om deze verdeling van de arbeid tegen te gaan, zoals de Arts & Crafts in Engeland of de Secessie in Oostenrijk, maar ze hebben uiteraard allen gefaald. Het kapitalisme heeft haar artistieke productie moeten isoleren tot een relatief klein aantal mensen, de kunstenaars. Het zou naïef zijn om vandaag nog te kunnen denken dat ze als enkeling of als groep in staat zouden zijn om de volledige sociale structuur van het kapitalisme direct te veranderen; sommige kunstenaars beslissen dan ook hun activiteit tot een persoonlijke bezigheid te beperken, zodat hun capaciteit om de wereld te beïnvloeden zeer miniem is, anderen wensen zich niet bezig te houden met de wereld en verwijderen elke sociale waarde uit hun kunst, dit is dan l’art pour l’art. Ten slotte zijn er kunstenaars die ervan overtuigd zijn dat ze een invloed hebben en ze engageren zich voor een sociaal doel, het is deze groep die zich mengt in sociale bewegingen en verder bestudeerd wordt.
Het sociaal doel van een persoon is natuurlijk sterk afhankelijk van zijn sociale positie, daarom de vraag: wat is de sociale positie van een kunstenaar? De kunstenaars die hun leven onderhouden met de verkoop van hun producten, hebben een kleinburgerlijke positie in de samenleving, ze moeten concurreren met hun medekunstenaars om hun levensonderhoud te bevorderen en deze asociale verhouding maakt het hun onmogelijk om als groep een gemeenschappelijk belang te verdedigen. De kwaliteit van hun levensonderhoud is gebaseerd op hoe goed of hoe veel dat ze kunnen produceren, ze moeten zichzelf daarvoor – met zin of tegenzin – uitbuiten. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat hun producten zelf een kleinburgerlijk karakter bevatten, dit zou een belediging zijn naar alle kunstenaars die oprecht en met vurigheid de sociale onrechtvaardigheid aankaarten, maar het is zeker dat hun afhankelijkheid van de markt de aard van hun producten beïnvloedt. Omwille van deze sociale positie is het sociaal doel van de kunstenaars als groep niet op voorhand te bepalen, het is een zeer heterogene groep. Het enige wat hun verenigt, is hun creatieve activiteit: elk verwerken ze in hun kunst hun gevoelens, ervaringen, omgeving en hoop op hun eigen individuele manier. Het is dan ook een individuele en chaotische broeinest en in die anarchistische vorm ontwikkelt de kunst zich ook het best. Elke andere levenswijze, elke vorm van controle – zoals het sociaalrealisme van de USSR of de culturele revolutie in China – amputeert haar individueel en vrij karakter en verdoemt haar dood te bloeden.
De sociaal geëngageerde kunstenaar kan geen invloed hebben zonder toeschouwers, daardoor is zijn invloed volledig afhankelijk van de sociale toestand van de maatschappij. Nochtans wachten kunstenaars niet op een grote sociale verandering om bepaalde gevoelens of gebeurtenissen te verwerken, versterken en verspreiden. Als minderheid die probeert het bewustzijn te beïnvloeden, vertonen ze gelijkenissen met politieke minderheden: deze analyseren en voorspellen politieke gebeurtenissen, waarmee ze hopen het politiek bewustzijn te verscherpen. De invloed op het bewustzijn van een massa is voor beide minderheden in feite gelijkaardig:
Eerst zijn er de periodes van sociale rust, dan wordt de invloed van een kunstenaar (of revolutionair) niet op directe en massale wijze gevoeld, ze wordt onderhuids gevoeld, in het bewustzijn van vele geïsoleerde personen, ze is één van die vele kleine rivieren die het bewustzijn insijpelt en er in blijft meanderen. Tijdens de sociale rust is er nog geen sterke kwantitatieve groei aan activiteit, zodat een kwalitatieve sprong uitblijft. Tot op een gegeven moment, mits het samenkomen van andere invloeden, er een reactie optreedt die een massale sociale beweging in gang doet schieten, er treedt dan een vermenigvuldigend effect op die de kunst in intiemere wisselwerking brengt met de beweging: de gevestigde sociale fundamenten worden betwijfeld en wankelen, de kanalen die de massa en de kunstenaar verbinden en die ingedijkt waren door censuur en de muren van het museum worden overspoeld, ze laten grotere openingen toe die meer invloeden het bewustzijn laten binnenstromen, zodat er steeds meer rondkolkt en ook terug naar buiten spat. Zo borrelt de creativiteit op bij steeds meer mensen, zwelt de kleine rivier aan en versnelt ze, wat op zich weer meer mensen meesleurt. Kwantitatief neemt de artistieke activiteit toe en duwt ze het kwalitatieve niveau omhoog.
Intiem verwikkeld in deze sociale beweging draagt deze kunst de sporen van de beweging, deze kunst krijgt dan als functie de beweging te kleden met een beeld dat past bij het karakter van de beweging: de sexuele en psychedelische muziek van The Doors paste bij de hippies en zette ze aan de repressie en de Vietnam oorlog te kritiseren, een slogan van mei ’68 was spontaan en direct zoals de nieuwe generatie, het moest de ogen opentrekken en mensen meteen betrekken. Elke kunstenaar heeft op zijn eigen manier bijgedragen tot het bewustzijn door de lucht van toen te vatten, de emoties in een passende vorm te gieten en de beweging aan te moedigen. Deze wisselwerking aanwezig bij massale sociale bewegingen beïnvloedt de toeschouwers evenals de kunstenaar: de ontwikkelingen in de kunst zijn niet per toeval het hevigst tijdens de massale sociale onrust van 1905, 1917 en 1968. Eenmaal dat het massaal karakter van de sociale beweging vervalt, laat ze een verfriste en gedreven geest achter die de artistieke creativiteit bij elke deelnemer doet naleven en voortwerken, ook de periodes na 1905, 1917 en 1968 bevestigen dit.
Dit proces is inderdaad zeer gelijkaardig aan de politieke bewustwording, maar er is een fundamenteel verschil, zoals Trotsky het stelt:
“De marxistische methode geeft de mogelijkheid om de ontwikkeling van de nieuwe kunst te schatten, al zijn bronnen te duiden, om de meest progressieve stromingen te helpen een kritische blik te geven op hun weg, maar het doet niet meer dan dat. Kunst moet zijn eigen weg volgen en volgens zijn eigen middelen. De marxistische methode is niet dezelfde als de artistieke.” [Inleiding, vertaald uit het Engels van http://www.marxists.org]
Terwijl dat de kunstenaar een individuele en artistieke uiting vertegenwoordigt, verdedigt de revolutionair het standpunt van de proletarische klasse. Sociale bewegingen in het kapitalisme hebben onvermijdelijk een politieke lading, waardoor beide minderheden elkaar kruisen en de neiging bestaat om kunst en politiek te vermengen. Er is vaak geprobeerd een politieke boodschap te verhullen op een artistieke wijze of zijn kunst ten dienste van de proletarische revolutie te leggen, zoals bijvoorbeeld bij Mayakovski, de Proletkult of de Situationisten. Dit vermengen verslechtert naar mijn mening beide pogingen om de sociale beweging een positieve invloed te geven, omdat ze door hun onverenigbaarheid tot compromissen leiden die beide methodes oneer aandoen. Hoe vaak gebeurt het niet dat een prachtig kunstwerk wordt verknoeid door een politieke uitspraak, of een politieke tekst aan duidelijkheid en scherpheid verliest door een artistiek effect te forceren.
Een aantal voorbeelden: 1) Gorter en andere politieke schrijvers hebben artistieke effecten verwerkt in hun politieke teksten, waardoor ze aan duidelijkheid en politieke slagkracht verliezen. De schoonheid van een politieke tekst – zoals in die van Marx, Luxemburg en Pannekoek – werd juist bereikt door trouw te blijven aan hun opzet: het vormen van een vlijmscherp en kristalklaar politiek bewustzijn. 2) De Guernica van Picasso probeert de ellende van het Spaanse volk in 1936 in één schilderij te plaatsen. Als men dit schilderij vergelijkt met zijn blauwe periode, slaagt de Guernica er niet in om dezelfde diepe verontwaardiging op te wekken noch de politieke situatie uit te leggen. Nochtans kan de blauwe periode wel politiserend zijn, het is immers moeilijk om niet beroerd te worden door de geniale afbeelding van de ellende rond hem, en in hem. 3) Vele Amerikaanse muziekgroepen tonen hun afkeer tegenover de Bush administratie tijdens hun Europees tournee, de politieke argumenten hiervoor worden nooit geformuleerd, ik vermoed zelfs dat er commerciële redenen achter schuilen aangezien deze afkeer in Amerika hoogstwaarschijnlijk niet wordt geuit. De muziek van Patti Smith is zeer inspirerend en uitdagend, maar haar oproep om te gaan stemmen voor Obama is een pijnlijke verflauwing van haar teksten. 4) In Antwerpen en Brussel werden concerten voor de verdraagzaamheid georganiseerd door vele muziekgroepen, onder andere dEUS en Arno, maar hoe dat deze eenmalige en korte stunt, waar ieder alleen naar de muziek luistert zonder te discussiëren over werkelijke verdraagzaamheid, is mij niet duidelijk. Het leek eerder een zet van de heersende Belgische bourgeoisie om jongeren aan te zetten op de ‘verdraagzame’ en ‘democratische’ partijen te stemmen.
In linkse milieus worden zulke evenementen als tactische momenten gezien, er kunnen dingen gebeuren. Trotsky heeft in zijn boek de moeite genomen om bijna alle grote kunststromingen tijdens de Russische revolutie onder de loep te nemen; hij toont daar bladzijde na bladzijde aan dat elke stroming die probeert de proletarische revolutie vooruit te helpen door een politiek standpunt in de kunst te verwerken, soms zelfs een soort van proletarische kunst tracht te bedenken, aan artistieke waarde verliest of faalt in het vatten van de geest van de revolutie. Aangezien de proletarische revolutie hoofdzakelijk een economische en politieke revolutie is, kan de kunst de revolutie op dat vlak niet helpen. Voor Trotsky moet het anarchisme eigen aan de creativiteit in de kunst verdedigd worden door revolutionairen en kunnen ze de kunst enkel helpen door haar een historische analyse te bieden opdat zij kritischer haar “eigen weg” kan volgen.
Het is vreemd dat kunstenaars gewaarschuwd moeten worden voor politieke inmenging, dat men de kunst moet beschermen van een politieke demarche opdat zij zichzelf geen oneer aandoet. Maar het is juist op deze manier dat ze eigenlijk werkelijk wordt bevrijd van haar eeuwenlange verstrengeling in klassenmaatschappijen. In zulk een structuur wordt de kunst altijd gedwongen de kant van de heersende klasse te kiezen, terwijl dat de kunst eigenlijk de meest intieme uiting van het individu en haar omgeving is.

23.08.08





Mei ’68 (mei 2008)

2 02 2009

Twee inleidingen voor twee discussies (in Antwerpen en in Brussel) over eenzelfde onderwerp: mei ’68. Veel inspiratie werd opgedaan bij het lezen van de artikels van de ICC (o.a. de artikels in Internationalisme nr. 336, 337, 338, 339).

Dit artikel tracht de gebeurtenissen die plaatsvonden in 1968 te Parijs te beschrijven. Gezien de omvang van de gebeurtenissen is het niet mogelijk om in dit artikel mogelijke antwoorden te formuleren op belangrijke vragen als ‘Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60?’, ‘Wat was de bedoeling van deze manifestaties?’, ‘Hadden de studenten illusies?’, ‘Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict?’, ‘Is Mei 68 een sexuele/culturele/sociale revolutie?’, ‘Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag?’ … Daarom organiseert de discussiegroep VUB in samenwerking met de Moeial een discussie op woensdag 14 mei om 19u aan de VUB in lokaal D1.0.7 waar deze vragen aan bod kunnen komen. Iedereen is welkom om mee te discussiëren.

Mei 68
Dit artikel tracht de gebeurtenissen die plaatsvonden in 1968 te Parijs te beschrijven. Gezien de omvang van de gebeurtenissen is het niet mogelijk om in dit artikel mogelijke antwoorden te formuleren op belangrijke vragen als ‘Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60?’, ‘Wat was de bedoeling van deze manifestaties?’, ‘Hadden de studenten illusies?’, ‘Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict?’, ‘Is Mei 68 een sexuele/culturele/sociale revolutie?’, ‘Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag?’ … Daarom organiseert de discussiegroep VUB in samenwerking met de Moeial een discussie op woensdag 14 mei om 19u in lokaal D1.0.7 waar dat deze vragen aan bod kunnen komen. Iedereen is welkom om mee te discussiëren.

Een internationaal gebeuren
In de jaren 60 waren er wereldwijd studentenmanifestaties, het centrale thema was de verwerping van de oorlog in Viëtnam: in Amerika organiseren de studenten al in 1964 een ‘sit-in’ om het recht op een politieke mening te eisen (“Free Speech”). In 1968 worden universiteiten bezet om te protesteren tegen de steun aan de oorlog in Viëtnam (“Make Love, not War”) en in solidatirteit met de bewoners van zwarte ghettos die vechten voor gelijke rechten. In England, Spanje en Italië vallen honderden gewonden en arrestaties bij manifestaties tegen de oorlog. In Duitsland vinden studentenrellen plaats vanaf 1967 en wordt Rudi Dutschke beschoten. In Mexico worden tientallen tot hondertallen studenten vermoord op het plein van de Drie Culturen opdat de Olympische Spelen in ‘kalmte’ kunnen verder gaan. Het is echter in Frankrijk dat de studentenstrijd omslaat in een massale en maandlange staking van 9 miljoen arbeiders, waardoor de beweging verder is gegaan dan een studentenstrijd: het oversteeg het generatieconflict en stelde in vraag de werking van onze maatschappij.

De studenten nemen het voortouw
Op 22 maart 1968 begon in Nanterre, in de westelijke voorstad van Parijs, één van de belangrijkste episodes van de wereldgeschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog. Op zich had wat er die dag gebeurde niets uitzonderlijks: om te protesteren tegen de aanhouding van een ulta-linkse student van Nanterre die ervan verdacht werd deelgenomen te hebben aan een aanslag tegen American Express in Parijs, houden 300 van zijn makkers een meeting in een amfitheater en besluiten 142 van hen de zaal van de Universiteitsraad in het administratiegebouw gedurende de nacht te bezetten. Het is niet de eerste keer dat de studenten van Nanterre uiting geven aan hun ontevredenheid. Precies een jaar eerder was er aan deze universiteit al een krachtmeting tussen studenten en politie over de vrije toegang tot het universitaire meisjestehuis, wat voor jongens verboden was. Op 16 maart 1967 verklaarde een vereniging van 500 bewoners, ARCUN, dat het intern reglement niet langer geldig was, een reglement dat onder meer de studentes, ook al waren ze wettelijk meerderjarig (toen was dat vanaf 21 jaar), nog als minderjarigen beschouwde. Als gevolg daarvan had de politie op 21 maart op verzoek van de universiteitsadministratie het meisjestehuis omsingeld met de bedoeling de 150 jongens die zich daar bevonden en zich op de bovenste verdieping gebarricadeerd hadden, te arresteren. Maar de volgende morgen werden de politiemannen zelf omsingeld door enkele duizenden studenten en ze kregen tenslotte het bevel de gebarricadeerde studenten vrijuit het gebouw te laten verlaten! Maar noch dit incident, noch andere uitingen van woede bij de studenten, zoals met name tegen het ‘plan Fouchet’ voor hervorming van de universiteit in de herfst van 1967, hadden verdere gevolgen.

Mouvement 22
Voordat ze de zaal van de Universitaire Raad verlieten besloten de 142 bezetters om de agitatie in stand te houden en te ontwikkelen door de ‘Beweging van 22 maart’ (M22) op te richten. Het is een informele beweging, in het begin samengesteld uit trotskisten, anarchisten (waaronder Daniel Cohn-Bendit) en maoïsten, en die in de loop van de komende weken meer dan 1200 deelnemers zal bijeenbrengen. De muren van de universiteit worden bedolven met affiches en graffiti: “Professoren, jullie zijn oud en jullie cultuur is dat ook”, “Laat ons leven”, “Neem je wensen voor werkelijkheid”. De M22 kondigt voor 29 maart een dag ‘kritische universiteit’ aan, naar het voorbeeld van acties van Duitse studenten. De rector beslist de universiteit te sluiten tot 1 april, maar de agitatie laait weer op zodra de universiteit heropend wordt. Voor 1000 studenten verklaart Cohn-Bendit: “Wij weigeren de toekomstige kaders te worden van de kapitalistische uitbuiting.” De meeste professoren reageren behoudsgezind: op 22 april eisen 18 van hen, waaronder mensen van ‘links’ dat “maatregelen en middelen worden ingezet om de agitatoren te ontmaskeren en te straffen”. De rector laat een hele reeks repressieve maatregelen goedkeuren, met name de vrije toegang van de politie tot de campus, terwijl in de pers een campagne losbarst tegen de “dollemannen”, de “groupuscules” en de “anarchisten”. De Franse ‘communistische’ partij (PCF) volgt haar daarin: “De agitatoren-rijkeluiszoontjes beletten de zonen van arbeiders te slagen voor hun examens” en “Die valse revolutionairen moeten met kracht ontmaskerd worden want objectief dienen zij de belangen van de Gaullistische macht en van de grote kapitalistische monopolies”.
Op de campus van Nanterre komt het steeds vaker tot gevechten tussen studenten van uiterst-links en de fascistische groepen van Occident die naar Parijs zijn gekomen ‘om dat linkse tuig op z’n bek te slaan’, om ‘bolsjewieken in elkaar te slaan’. Daardoor besluit de rector op 2 mei andermaal de universiteit te sluiten, die afgegrendeld wordt door de politie. De studenten van Nanterre besluiten de volgende dag een meeting te houden op de binnenplaats van de Sorbonne (andere universiteit in Parijs) om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van acht leden van M22, waaronder Cohn-Bendit.
Op de bijeenkomst komen slechts 300 deelnemers, de meeste studenten zijn druk bezig met de voorbereiding van hun examens aan het einde van het jaar. Maar de regering, die een einde wil maken aan de agitatie, besluit een grote slag te slaan door het Quartier Latin (studentenbuurt) te laten bezetten en de Sorbonne te laten omsingelen door de politie, die er ook binnendringt, wat in geen eeuwen meer gebeurd was. De studenten die in de Sorbonne zitten, krijgen de toezegging dat ze allen zonder problemen kunnen vertrekken, maar terwijl de meisjes vrij kunnen vertrekken, worden de jongens systematisch naar de celwagens van de politie geleid zodra ze de stoep oversteken. Al snel verzamelen zich honderden studenten op het plein van de Sorbonne die de politie beginnen uit te jouwen. Het begint traangasgranaten te regenen, het plein wordt ontruimd, maar de steeds talrijker studenten beginnen groepjes agenten en hun wagens te treiteren. De botsingen gaan ’s avonds vier uur lang door: 72 politieagenten raken gewond en 400 studenten aangehouden. In de volgende dagen vergrendelt de politie de omgeving van de Sorbonne volledig af, terwijl vier studenten worden veroordeeld tot effectieve gevangenisstraffen.

De beweging groeit en radicaliseert

Deze politiek van de harde aanpak legt de agitatie het zwijgen niet op, maar zorgt er juist voor dat ze massaal wordt. Vanaf maandag 6 mei worden de botsingen met de politie die rond de Sorbonne wordt ingezet afgewisseld met steeds massalere betogingen, waartoe M22, UNEF en SNESup (vakbond van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs) oproepen en die tot 45.000 deelnemers tellen die roepen “de Sorbonne aan de studenten”, “Smerissen uit het Quartier latin” en vooral: “Onze makkers vrij”. De studenten krijgen de steun van een groeiend aantal middelbare scholieren, leraren, arbeiders en werklozen. Op 7 mei steekt de betoging bij verrassing de Seine over en trekt over de Champs-Elysées, op twee stappen van het presidentieel paleis. De Internationale weerklinkt onder de Arc de Triomphe, waar men gewoonlijk alleen de Marseillaise (het Franse volkslied) of de Sonnerie aux morts (muziek voor de gesneuvelden) hoort. De betogingen slaan ook over naar sommige andere steden. De regering wil haar goede wil tonen door … de universiteit van Nanterre te heropenen op 10 mei. Dezelfde avond staan tienduizenden betogers in het Quartier Latin oog in oog met de politie die de Sorbonne afgrendelt. Om negen uur ’s avonds beginnen sommige betogers barricades op te richten (er komen er een zestigtal). Om middernacht wordt een delegatie van drie professoren en drie studenten (waaronder Cohn-Bendit) ontvangen door de rector van de Academie van Parijs, maar terwijl die de heropening van de Sorbonne toezegt, kan hij niets beloven inzake de vrijlating van de studenten die op 3 mei werden aangehouden. Om twee uur in de morgen begint de oproerpolitie CRS de barricades te bestormen nadat die overvloedig met traangas zijn bestookt. De botsingen zijn buitengewoon gewelddadig en veroorzaken aan beide kanten honderden gewonden. Bijna 500 betogers worden opgepakt. In het Quartier Latin betuigen veel bewoners hun sympathie door de studenten binnen te laten of door water op straat te gooien om hen te beschermen tegen traangas en offensieve granaten. Al die gebeurtenissen, en met name de getuigenissen over de brutaliteit van de ordestrijdkrachten, worden minuut per minuut door honderdduizenden mensen gevolgd op de radio. Om 6 uur ’s morgens “heerst de orde” in het Quartier Latin waar een tornado door lijkt te zijn getrokken.

De arbeidersklasse volgt
Op zaterdag 11 mei is de verontwaardiging immens in Parijs en de rest van Frankrijk. Spontane optochten vormen zich zo’n beetje overal, waarin niet alleen studenten lopen, maar honderdduizenden betogers van alle origine, met name veel jonge arbeiders of ouders van studenten. Buiten Parijs worden verschillende universiteiten bezet; overal, op straten en pleinen, wordt gedebatteerd en veroordeelt men het optreden van de ordehandhavers.
In antwoord op die situatie kondigt eerste minister Georges Pompidou in de avond aan dat vanaf maandag 13 mei de politiekrachten teruggetrokken zullen worden uit het Quartier Latin, dat de Sorbonne heropend wordt en dat de opgesloten studenten zullen worden vrijgelaten.
Dezelfde dag roepen alle syndicale centrales, ook de CGT (die tot dan toe de ‘ultra-linkse’ studenten onophoudelijk had aangevallen) en de politievakbonden, op tot een staking en tot betogingen op 13 mei, om te protesteren tegen de repressie en het regeringsbeleid.
Op 13 mei beleven alle steden van het land de belangrijkste betogingen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. De arbeidersklasse is massaal aanwezig aan de zijde van de studenten. Een ordewoord dat succes heeft is: “Tien jaar, dat is genoeg!”, verwijzend naar de 13e mei 1958 toen De Gaulle terug aan de macht kwam. Aan het einde van de betogingen worden bijna alle universiteiten bezet, niet alleen door studenten, maar ook door veel jonge arbeiders. Overal wordt vrijuit gesproken. De discussies beperken zich niet tot universitaire kwesties, of de repressie. Ze beginnen te raken aan alle sociale problemen: de arbeidsvoorwaarden, de uitbuiting, de toekomst van de maatschappij.
Op 14 mei gaan de discussies verder in een hele hoop bedrijven. Na de reusachtige betogingen van de vorige dag, met het enthousiasme en het gevoel van kracht dat eruit voortvloeit, is het niet gemakkelijk weer aan ’t werk te gaan alsof er niets gebeurd is. In Nantes ontketenen de arbeiders van Sud-Aviation, aangespoord door de jongsten onder hen, een spontane staking en beslissen ze de fabriek te bezetten. De arbeidersklasse begint de fakkel over te nemen …

Discussiegroep VUB

MEI ‘68

Wat voor beweging was die van mei ‘68?
Wat kunnen we ervan leren?

DISCUSSIE

Donderdag 15 mei
19u30 u

café multatuli

lange vlierstraat 9,
2000 antwerpen

IEDEREEN IS WELKOM
IEDEREEN MAG MEE DISCUSSIËREN

Inleiding

In 1965 schreef Wilfried Van Cauwelaert in de krant Het Volk: “De student is voor niets meer warm te krijgen, tenzij voor dansavonden, kroeglopen en elektrische trekbiljart. Zij worden een troep van deftige burgermannetjes, kruideniertjes die slechts één doel hebben: diploma halen, bemiddeld vrouwtje trouwen, een paar kindjes kopen en wegzakken in een gestileerd salon.” Drie jaar later bleef er weinig van deze stelling over.

De meeste jongeren vandaag kennen mei ’68 aan de hand van iconen als brandende barricades te Parijs, chargerende oproerpolitie, revolterende studenten, gigantische stakingen, gedichten van Baudelaire, citaten van Sartre, indrukwekkende slogans en posters op de muren, protestliedjes, misschien zelfs “Leuven Vlaams!”, president De Gaulle, de Praagse lente, hippies, sex, drugs, rock’n’roll en noem maar op. Zijn deze beelden terecht of onterecht verbonden met de beweging van mei ’68? Het is zeker dat mei ’68 een woelig tijdperk was van internationaal protest, betogingen, stakingen en studentenstrijd. Wat karakteriseert en maakt mei ’68 nu net tot een referentie? Wat voor beweging was zij?

Wat gebeurde er in mei ’68?

De aanloop naar mei ’68 start op 22 maart 1968 wanneer studenten de faculteit van Nanterre bezetten te Parijs. Aanleiding is de arrestatie van een extreemlinkse jongere die verdacht wordt van deelname aan vernielingen tijdens een anti-Vietnambetoging. Meetings en bezettingen door studenten volgen. Verschillende sluitingen en heropeningen van de faculteit zijn het antwoord van de universiteitsleiding. Ook komt het steeds vaker tot gevechten tussen de uiterst-linkse en fascistische groepen. De studenten van Nanterre houden op 2 mei een meeting in de Sorbonne, een andere universiteit in Parijs, om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van medestudenten. De regering besluit een einde te maken aan de onrust en de politie bezet de studentenbuurt, omsingelt de Sorbonne, en arresteren de jongens. Zware, urenlange rellen volgen tussen CRS (oproerpolitie) en honderden jongeren die zich verzamelden aan de Sorbonne. Dit zijn de eerste gebeurtenissen die uitmonden tot een aanzwellend protest, niet enkel door studenten, maar ook door scholieren, leraren, arbeiders, werklozen… De volgende dagen gaan de rellen door en groeit de sympathie voor de studenten tegen het gewelddadig optreden van de CRS. De verontwaardiging is enorm en spontane optochten van honderdduizenden betogers van scholieren, studenten, jonge arbeiders, ouders e.a. vinden plaats. Uiteindelijk roepen de vakbonden op om in staking te gaan uit protest tegen de repressie. Nochtans veroordeelde de CGT, Confédération Générale du Travail, de grootste vakbond in Frankrijk, eerder de ultra-linkse studenten als uitschot, net als de PCF (Parti Communiste de France) hen uitschold voor agitatoren, rijkeluiszoontjes, salonsocialisten, bourgeoisrebellen… Op 13 mei vinden de grootste betogingen sinds WO II plaats. Universiteiten worden omgevormd tot discussieplaatsen waar niet enkel over de studentenrepressie, maar ook over levensomstandigheden, werkvoorwaarden, etc. wordt gedebatteerd. De discussies vinden verder plaats in de bedrijven en in enkele dagen tijd groeit de beweging uit tot een staking van onbepaalde duur van 9 miljoen arbeiders te Frankrijk. De kracht en omvang van de beweging is verrassend en geeft de mogelijkheid om de gehele maatschappij in vraag te stellen.

Mei ’68 wereldwijd

Al snel volgden op de gebeurtenissen in Frankrijk gelijkaardige stakingen, betogingen en protestbewegingen in andere landen wereldwijd. Bijv. de “hete herfst” in Italië, de “Praagse lente”, Nederland, België, Duitsland, VK, VS, Mexico…

Welke maatschappelijke, drijvende krachten?

Wat zijn de omstandigheden die maken dat dit kon gebeuren? Want een revolte, protest of staking gebeurt niet “spontaan”, er is een voedingsbodem voor nodig, de maatschappelijke voorwaarden moeten aanwezig zijn. De vraag is des te belangrijker, aangezien het kapitalisme een periode van sterke groei kende en de crisis nog niet openlijk was uitgebarsten in Frankrijk.

Studentenbeweging/arbeidersbeweging?

We vernemen via verschillende media dat mei ’68 vooral een beweging was van de studenten. Zo had je specifieke studenteneisen, voor de democratisering van het onderwijs, voor een Vlaamse Leuvense universiteit etc. Daarnaast was er een sterk protest van jongeren tegen de oorlog in Vietnam, niet alleen in de VS, maar ook in West-Europese landen. Dit was niet nieuw voor ’68 en al vanaf 1964 vonden studentenrevoltes plaats tegen de oorlog, tegen de autoriteiten en tegen de traditionele moraal, bijv. de “Free Speech Movement” aan de universiteit van Berkeley. In Duitsland had je Der Sozialistische Deutsche Studentenbund (Socialist German Student Union (Rudi Dutschke)) dat vóór mei ’68 de meest radicale studentenprotesten vertegenwoordigde.

Waarom waren er wereldwijd studentenmanifestaties eind jaren 60? In hoeverre hebben de studentenbewegingen en de gebeurtenissen van mei ’68 met elkaar iets te maken en elkaar beïnvloedt? Was mei ’68 een revolutie tegen “de autoriteit” en haar moraal? Was mei ’68 een sexuele revolutie? Is Mei 68 een gevolg van een generatieconflict? Waarom draaiden de protesten, zoals die aan Berkeley in ’64 en ’65 niet uit tot een beweging als in Frankrijk 1968? Waarom kwamen de studentenprotesten tot een einde? Waarom kwam de staking tot een einde?

1968-2008?

40 jaar later heeft 1968 een mythische bijklank gekregen. De jaren 1960’worden door vele mensen gezien als een periode van hoop; een fantastische tijd om in te leven. Er heeft echter geen wereldrevolutie plaatsgevonden. 40 jaar later zijn er nog steeds de problemen waartegen studenten en arbeiders in ’68 protesteerden: imperialistische oorlogen, toenemende ongelijkheid, ongelijk onderwijs, vervreemding. Bovendien beleeft de wereldeconomie anno 2008 een zoveelste crisis en toont de klimaatopwarming het finale failliet aan van de wereld zoals we ze kennen. We willen hier iets aan doen, maar hoe? De ervaringen die zijn opgedaan in mei ’68 kunnen ons hierbij helpen.

Zijn de studenten van toen brave burgermannen geworden? Wat betekent Mei 68 voor studenten vandaag? Waarom bestaat er vandaag geen beweging tegen de oorlog in Irak net als er één was tegen Vietnam? Wat is het verschil met de studentenprotesten van het mythische 1968 met studenten/scholierenrevoltes die we recent in België, Nederland en Frankrijk zagen? Is een “mei 2008” mogelijk?

Y & Y